Alsnog: mijn tandartsverhaal

Onlangs schreef ik over het eerste bezoek aan een andere tandarts in mijn nieuwe woonplaats. Niets bijzonders, zou je zeggen, we wisselen allemaal weleens van tandarts. Maar mijn gebit en ik delen nogal een geschiedenis. Kennelijk moet dat er nu toch uit. Het hele verhaal, bedoel ik. Het begint bij de Hongerwinter van 1944.

Mijn ouders woonden tijdens de Hongerwinter als kinderen in het westen van het land.
Er was nauwelijks eten verkrijgbaar in de stad. Het enige voedsel dat rijkelijk voorhanden was, was snoep en ander suikergoed. Verder aten ze met lange tanden de roemruchte suikerbieten en tulpenbollen. Menigeen had na de oorlog dan ook een compleet verrot gebit. Mijn moeder had daar geen last van. Haar gebit bleef redelijk gaaf.

Bij mij liep het anders. Het melkgebitje kwam door en het melkgebitje viel uit. Mijn moeder heeft wat tandjes en kiesjes in een doosje bewaard. Vagelijk kan ik mij herinneren dat ik iets lekkers of een klein cadeautje kreeg als er één los was geraakt. Mijn moeder heeft zelf een sterk gebit. Daarom controleerde zij ’s avonds zelden of ik als kind goed had gepoetst. Wel vroeg zij of ik dat had gedaan en dan zei ik ‘ja’.

Overigens kwam er bij ons geen cola of andere koolzuurhoudende frisdrank in huis.
We aten ook geen repen chocola elke dag. Hooguit wat koekjes bij de koffie of thee.
Hoe anders was dat bij mijn schoolvriendin thuis. Ze dronken daar liters cola. Kraanwater was voor de hond. Als ik haar ging ophalen, kreeg ik van haar moeder regelmatig een  Mars of Milky Way mee.

Toen ik op de lagere school zat, hoefde ik niet naar de schooltandarts. De hele klas was zenuwachtig wanneer zijn busje voor het gebouw stond. Mijn klasgenootjes werden dan beurtelings voor een behandeling gehaald. Ik niet. Mijn gebit was al slecht; de schooltandarts had mij geweigerd als patiënt. Alleen kinderen met een vrij gaaf gebit mochten komen. Ik vond het wel best.

Het was begin jaren zeventig en er bestond een groot tekort aan tandartsen. In ons dorp kwam er één wekelijks op bezoek. Die had een behandelkamer ter beschikking in het wit/gele-kruisgebouw, een paar straten verderop. In dat gebouw zat ook het consultatie- bureau waar je inentingen kreeg als kind. De wachtruimte was groot en zat altijd vol.
Ik kan mij nog scherp herinneren dat er ooit veertig wachtenden voor mij waren. Die allemaal voor de tandarts kwamen.

Die tandarts deed weinig meer dan vullen en trekken. Ik kan mij vagelijk herinneren dat hij eens iets heeft uitgelegd over goed poetsen. Misschien kreeg ik toen zo’n leuk minitubetje tandpasta mee als cadeau. Verder kregen al mijn grote kiezen een knoepert van een glimmende amalgaamvulling.

Mijn gebit viel trouwens niet zo eenvoudig te poetsen. Dat gaat makkelijk wanneer alle tanden en kiezen keurig in het gelid staan. Maar mijn gebit wilde daar niet aan. Mijn kiezen zijn namelijk te groot voor mijn kaken, dus werd het nogal dringen geblazen. De één groeide een beetje naar voren en de ander naar achteren. Eén klein kiesje haalde die tandarts er wel preventief tussenuit.

Natuurlijk had een orthodontist kunnen ingrijpen. Wellicht heeft de tandarts dat met mijn moeder besproken. Of mijn oom, haar broer, die tandtechnicus was. In elk geval kwam het er niet van.

Mijn eigen pubertijd begon ongeveer tegelijk met de komst van een nieuwe tandarts in het dorp. Een Chinese vrouw. Dat was wat. Want de enige andere buitenlanders waren een paar Indo’s en een Hongaars gezin. Nog afgezien van importvolk uit Den Haag in ‘de nieuwbouw’.

Wij naar die nieuwe tandarts. Eerst had zij een klein spreekkamertje in haar woonhuis.
Al snel groeide haar praktijk en verkaste ze naar een groter pand. Mevrouw L. was een hele vriendelijke tandarts. Tegen die tijd viel er echter al geen eer meer te behalen aan mijn gebit. Maar ik ben haar nog dankbaar voor het degelijke werk dat zij heeft verricht.

Toen ik als zeventienjarige een vaste baan kreeg, kocht ik van mijn eerste salaris een stereo-installatie. Het tweede ging op aan vakantie. Maar het derde en vierde gebruikte ik voor mijn gebit. Want fraai zag dat er niet uit. Het meest storend vond ik mijn grote snijtanden. Natuurlijk moest een lollige leeftijdgenoot daarover wat roepen: ‘Hé Dracula!’ Ik heb er geen trauma aan overgehouden, hoor. Alleen lachte ik zeker tot mijn dertigste gewoonlijk met mijn hand voor mijn mond. Kronen maakten mijn snijtanden een stuk kleiner. Maar het bleef een schotse en scheve toestand.

Vreemd genoeg was mijn langstdurende relatie met iemand die een werkelijk perfect, parelwit gebit heeft. Zijn broer is tandarts. En zijn zwager heeft een eigen tandartsen- praktijk. Ik ben vergeten of die vriend mij op het idee bracht. Of dat het kwam door zijn tolerantie tegenover beugelbekkies. Maar op mijn achtentwintigste belandde ik alsnog bij de orthodontist.

Zoals echtparen die een kindje verwachten overal zwangere vrouwen ontwaren, zo zagen wij overal volwassenen met een beugel. Ik heb er later nooit meer zo veel gezien. Er moesten vooraf nog drie kiezen uit, maar dan krijg je ook wat. Anderhalf jaar later had ik éindelijk een tamelijk recht en fraai gebit. Afgezien van die amalgaamvullingen dan. Toch kan ik sindsdien weer vrijuit lachen.

Vervolgens waren er jarenlang nauwelijks problemen. Ik bleef na een verhuizing bij de Chinese tandarts. Pas toen het vanwege mijn werk in een andere stad lastiger werd om haar te bezoeken, koos ik een andere tandarts. Wederom een vrouw en zij hield de conditie van mijn gebit op peil.

Bij haar ontstond het plan om geleidelijk alle kiezen met grote amalgaamvullingen van kronen te voorzien. Zij verhuisde echter naar een ander deel van de stad. Daardoor werd het opnieuw moeilijk om werk en tandartsbezoek te combineren. Ik zocht nogmaals een andere tandarts en vond een praktijk nabij het station. Altijd handig.

Kort gezegd: de locatie bleek het enige positieve aan die praktijk. Want daar begon het gezeur over aparte bezoeken aan de mondhygiëniste. Bovendien was er telkens wat. Steeds vaker waren er gecompliceerde behandelingen nodig. En maar foto’s maken. Regelmatig verschenen er nieuwe tandartsen in de behandelkamer, zonder overleg vooraf. Beter werd het er niet op.

Binnen enkele jaren kreeg ik minimaal drie wortelkanaalbehandelingen. Bij één daarvan brak een stukje vijl in de punt van een kromme wortel af. Dat puntje metaal hindert soms nog. Bovendien stootte een ruwe tandarts hard met een tang tegen mijn fragiele gebit. Kort daarna brak er een flink stuk van een kies af. En daarna nog een stuk van een andere kies. Toen ik later op een King pepermuntje beet, voelde ik voor de derde keer een verdacht hard brokje in mijn mond. Kon ik weer bellen voor een spoedbehandeling.

Eerst dacht ik nog dat het aan mijn gammele gebit lag. De tandartsen daar hadden voor elke situatie een plausibele verklaring. Ondertussen twijfelde ik steeds sterker aan de goede bedoelingen van hun hypermoderne, gelikte praktijk. Per toeval noemde ik de naam daarvan eens tegen een vriendin. Bleek dat zij klant was geweest bij een andere vestiging van die praktijk. Zij had daar even slechte ervaringen opgedaan.

Uiteindelijk vertrok ik naar een jonge tandarts in een naburig dorp. Zij was mij aanbevolen en zorgde wel goed voor mijn gebit. Inmiddels zijn de meeste amalgaamvullingen vervangen door mooie kronen. Nu zit ik bij weer een andere tandarts. Nog slechts twee kiezen te gaan, dan ben ik hopelijk voor járen klaar. (Schrijft de optimist.)

Advertenties

7 gedachtes over “Alsnog: mijn tandartsverhaal

  1. Het is wat met die tandartsen. Als ik dit zo lees ben ik wel blij dat ik een gaaf gebit heb. Nooit een beugel, nooit kiezen trekken en tot mijn 40e nooit gaatjes gehad. Nu drie. Ik was hevig teleurgesteld en ik verdacht ook de nieuwe tandarts van oplichting. Maar ja, wat moet je als gewoon mensch tegen een drs. tandarts?

    1. Tja, die arme tandartsen moeten steeds vaker antwoord geven op vragen van achterdochtige patiënten. Dit is precies waar het knelt. De beste man of vrouw werkt vast naar eer en geweten, alleen kunnen wij dat als leek moeilijk beoordelen. Normaal gesproken stort ik mij dan op internet om meer te weten te komen. Maar die vlieger gaat in dit geval niet op. En ja, ooit gaat de aftakeling beginnen, daar kan een tandarts weinig aan doen … (vermoed ik).

  2. Ingid van Bouwdijk

    Tandartsen lijken op nieuwe managers die moeten zich ook altijd laten gelden met een reorganisatie. Bij een nieuwe tandarts mankeert er plotseling van alles aan mijn gebit. Ik verdenk hen van territorium drift: deze mond is nu van mij en daar moet ik mijn sporen in achterlaten. Ik heb nu een tandarts die mijn kiezen wil ophogen. Dat is gedeeltelijk gebeurd, want mijn bite zou te diep zijn en mijn kiezen zijn erg uitgesleten. Dat laatste klopt in ieder geval; ik ben een notoire knarser en heb s’nachts altijd een zogenaamde splint/knarsplaatje in mijn mond. Van deze tandarts moest ik daar accuut mee stoppen. Het zou voor jonge mensen zijn: veertigers knarsen niet meer. Ik blij naar huis, tot ik regelmatig wakker werd met gruis of zelfs `verdachte harde brokjes’ in mijn mond. Splint maar weer uit het nachtkastje gehaald. Bij de diepe bite kreeg ik dreigende verhalen: het is niet goed voor mijn kaakgewricht en vooral: Ik zou lelijke streepjes bij mijn mondhoeken krijgen. Laatst wees zij me er weer op: “Kijk het begint al een beetje”. Nou ben ik nooit zo’n ijdeltuit geweest, dus het zal me werkelijk een worst wezen of ik een rimpeltje meer of minder heb. Mijn idee is nu om een second opinion te vragen. Het lijkt of alles in mijn mond op elkaar was afgestemd en dat ophogen, daar was het niet op berekend met alle gevolgen vandien; op de één of andere manier zitten er nu namelijk makkelijker eetresten tussen, waardoor het tandvlees ontsteekt.

    1. O jee, dat klinkt ook als zo’n eindeloos vervolgverhaal. Ik wist niet eens dat het mogelijk is om kiezen op te hogen. En dan die streepjes bij je mondhoeken en zo’n opmerking als: “Kijk het begint al een beetje”. Dit roept direct associaties op met kappers in het buitenland die er als tandarts bijklussen. (Of verzin ik dit ter plekke?) Nog even en dan geeft die tandarts jou geen verdoving maar een Botox-spuitje. Trouwens, ik heb eens zo’n flinke verdoving gehad, dat mijn oogspier voor mijn gevoel ook tijdelijk was uitgeschakeld. Soms trekt het nog een beetje.
      Branchevervaging ligt op de loer. In de goede oude jaren zestig en zeventig namen ze het niet zo nauw met mondzorg. Daarna voegden ze als proef in bepaalde gemeenten fluoride toe aan het kraanwater. Tegenwoordig heeft elke twintiger een perfect gebit. Daar kan een tandarts niet zo veel meer aan verdienen. Misschien dat ze daarom ook steeds weer iets nieuws verzinnen.
      Maar heeft het ook niet te maken met het voortschrijdende schoonheidsideaal waar wij allemaal aan moeten voldoen? Je durft bijna niet meer met grijze haren voor de dag te komen. Rimpeltjes zijn een teken van emotionele verwaarlozing en als je geen neuscorrectie laat doen, kom je vast uit zo’n achterstandswijk. Want als je geld hebt, zorg je wel dat je er ‘goed’ uitziet. En als je geen geld hebt, maar dat wel wil hebben, zal je ook wat aan je uiterlijk moeten doen. Want een mooi plaatje trekt nu eenmaal meer aandacht en dat biedt weer kansen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s