In de trein naar Nijmegen

Op Arnhem Centraal neemt een echtpaar van rond de zestig plaats tegenover mij. Ze zien er fit en afgetraind uit. We rijden zo naar Nijmegen, waar het hoogtepunt van de Vierdaagse gaande is. Zij wil een flesje water openen, maar het lukt haar niet. ‘Die fitnesstrainer van jou mag weleens aan je armspieren werken’, grapt hij. En kijkt daarbij naar mij. Of ze zijn opmerking leuk vindt, ontgaat hem. Hij begint er later nogmaals over. Terwijl Arnhem dan al lang achter ons ligt.

Ergens ter hoogte van Elst vang ik een flard op van een ander gesprek. Drie vrouwen, verwant aan elkaar, hebben het over ‘mama’. Dat ze de laatste tijd steeds meer gesloten is. En als je wat zegt, moet je uitkijken, want ze is tamelijk manipulatief. ‘Voordat je het weet, gebruikt ze het tegen je.’ Moeder-dochterrelaties. Het grootste taboe voor wie met de Libelle opgegroeid is.

Vlak voor Lent snijden ze tegenover mij een nieuw onderwerp aan. Zij heeft het over een hand en chemo. Het woord ‘naalden’ valt. Hoe die soms dwars door aders heen prikken. Iets dergelijks is bij een bekende gebeurd. En nu is die hand door de chemo inwendig helemaal verbrand. Wat ze zegt, gaat over gevoel. Niet over de hand. De man echter, antwoordt zoals een technicus dat doet. ‘Als cellen eenmaal dood zijn, moeten ze worden weggesneden. De doorbloeding is dan weg, dus komen ze niet meer tot leven.’

Buiten schijnt de zon. Op de oevers van de Waal is het een vrolijke boel. In Nijmegen stort ik mij vol overgave in het feestgewoel. Wat er ook gebeurt; die stad maakt altijd alles goed.

Nachtbraken na alle rumoer

’t Is zo midden in de nacht natuurlijk geen tijd om achter een laptop te zitten. Het scherm geeft veel te veel licht. Daar word ik nog wakkerder van dan wenselijk is. Maar om nu een rustgevend wandelingetje te maken; dat is ook zo wat. In elk geval is het eindelijk stil. Er was al rumoer genoeg.

Eergisteren een wandel-verjaardag bij Lage Vuursche. Heel gezellig hoor. Wel was het nogal intensief allemaal. Bij terugkeer volgde een etentje. De jarige job en enkele anderen gaven korte voordrachten tussendoor. Een nostalgische glimp uit een oude wereld. In hun kringen is eruditie gangbaar.

En vandaag, gisteren dus, had ik de hele dag bezoek. Van iemand die erg praatgraag is. Komend weekend volgen andere ontmoetingen met nog meer stof tot nadenken. Ik leef er met gemengde gevoelens naartoe.

Het zijn dagen vol indrukken, verhalen en voorvallen waar betekenissen achter schuilgaan  Mijn hersenen verwerken zulke stortvloeden met enige vertraging. Ze willen verbanden leggen, naar verklaringen zoeken en aangeven hoe het verder moet. Soms worden zaken echter niet duidelijk wanneer dat wel moet. Voor een gerust gemoed.

Een gedicht van Marinus van den Berg dan maar, met dank aan de wandelgroep.

Wie wandelt, wandelt nooit alleen
altijd zijn er wel vogels, altijd de wind
of de waterstromen.
De bronnetjes soms of passanten.
Altijd zijn er de bloemen
en de wolken die je groeten
of de strakke, blauwe hemel.
En de zijwegen en kruispunten
die vragen om een keuze.
Altijd zijn er je gedachten
die meetrekken als engelen
of als duivels, die je plagen.
Alleen wandelen bestaat niet.
Wandelen brengt je ook altijd
weer op je innerlijke weg
en….het brengt je thuis.

 

Ontwikkelingswerker in Zuid-Afrika

Gisteren viel mijn oog in de Volkskrant op een naam in een mini-advertentie ‘Onroerend Goed & Wonen. Buitenland Te Koop’. Ricus Dullaert. Bekende naam van een vroegere baan. Hiv/Aids en Zuid-Afrikaanse woningbouwprojecten; het kwam meteen weer terug.

En ja hoor: ‘Ik vertrek! Enorme villa te koop in een schitterende natuurlijke omgeving dichtbij het zakencentrum van Johannesburg, Zuid Afrika. Door een Nederlandse architect gebouwd op een heuvelrug met een ongeëvenaard uitzicht over de stad. Bestaat uit 5 met elkaar verbonden huizen, die in het totaal 7 appartementen bevatten. In het totaal 9 badkamers en toiletten, zwembad, enorme terrassen, weelderig beplantte tuinen, garage en carport. Oppervlakte 500 m2 op 2500 m2 grond. Johannesburg heeft een van de beste klimaten ter wereld. Dus altijd zon! ’

Als je deze advertentietekst leest, kan je flink op het verkeerde been worden gezet. En de korte documentaire over zijn kapitale grachtenpand in hartje Amsterdam wekt aanvankelijk ook een bevreemdende indruk. Als je tenminste denkt dat ontwikkelingswerkers nog op geitenwollensokken rondlopen. En als je vindt dat ze van een hongerloontje moeten rondkomen.

Tegen het eind van de documentaire vertelt Ricus over zijn achtergrond en manier van leven. Hij is van ver gekomen. En hij verbindt twee totaal verschillende werelden. Want vervolgens toont hij ook foto’s van zijn werk en van de mensen voor wie hij het doet. Ik ken hem niet persoonlijk, maar dit is wel waarom een ontwikkelingswerker als Ricus mij boeit.

Nieuw licht op zaken

We zaten in de nacht op het platte dak van een torenhoog gebouw. Om ons heen in de diepte laagbouw en andere hoge gebouwen. We begrepen elkaar niet. Het ging over geld. Ze ging mij iets uitleggen. Ik keek naar de donkere hemel en zag ondertussen strakke dubbele rijen lichten door de lucht voortbewegen. De rijen liepen parallel aan elkaar en ze waren overal.
‘Ik zal je eens iets vertellen over mijn vader.’, zei ze. En ik voelde: deze keer wordt het geen anekdote die ik al honderdduizend keer heb gehoord. Dit zou een niet eerder verteld verhaal worden. Een relaas over een gebeurtenis die nieuw licht op zaken zou werpen. Ik wist: dit kon ons wezenlijk nader tot elkaar brengen.
Toen begonnen de lichten in de lucht wild te draaien, als voetzoekers in een oudejaarsnacht. Ze schoten door de lucht omlaag en joegen op mensen, op andere daken. Nog voordat ze had verteld wat ze wilde zeggen, brak de langverwachte Derde-Wereldoorlog uit.

Voor niets een monteur gebeld

Na twee jaar zorgt mijn oude arbeidershuis nog steeds voor verrassingen. Afgelopen zondag lag er een soort teerdruppel op de keldervloer. Daarboven loopt een buis langs de muur. Die is wit gekalkt door vorige bewoners. Het ziet er ruw en oud uit. Eigenlijk wist ik niet goed waar die buis voor was. Hij komt van onder de grond door de buitenmuur naar binnen, maakt dan een knik omhoog en verdwijnt in een gat door de houten trap erboven. Precies ter hoogte van de meterkast.

Dus ik volgde het spoor en jawel: hij sluit aan op een metalen kastje van waaruit leidingen lopen naar de groepenkast. Elektriciteit dus. En die leiding drupte dus … Zulke dingen ontdek ik nou altijd in het weekend. Precies wanneer er niemand bij de helpdesk zit. De stoppen waren nog niet doorgeslagen, dus ik hoefde niet meteen in paniek te raken, bezwoer ik mezelf. Maar echt lekker sliep ik daarna niet.

Op maandag heb ik gelijk Liander gebeld, en kreeg ik een meneer aan de lijn. ‘Ziet het er teerachtig uit?’ vroeg hij, nadat ik de situatie had geschetst. (Ik blij dat hij begreep waarover het ging.) ‘Ja!’, zei ik. ‘Oh,’ zei hij ‘dat is heel normaal.’

Nou ja zeg, die had ik even niet verwacht. Er kon toch water in de leiding zijn gelopen? Dat is toch gevaarlijk! Misschien moesten ze mijn hele voortuin wel open graven. Ik had de bui al zien hangen. Ging hij mij nu afpoeieren soms? ‘Zal ik foto’s sturen?’, vroeg ik nog. Want die had ik al met mijn mobieltje genomen.

‘Neuh, hoeft niet’, zei hij. Maar ik had verteld dat het huis al oud is, dus voor de zekerheid zou hij toch een monteur laten komen. Hij vroeg mijn vaste telefoonnummer, mijn mobiele nummer en mijn e-mailadres. Dan kon hij doorgeven wanneer. Er kwam echter geen belletje of berichtje meer.

Vandaag om 11.00 uur werd er onverwacht aangebeld. De monteur. Dat is nu al de tweede keer dat niemand doorgeeft wanneer zo iemand komt. Ze boffen maar dat ik zogezegd de hele dag op de bank thuis zit. Hij keek ernaar, zei dat het onlangs erg warm was geweest en dat de kabel dan gaat ‘zweten’. Niets aan de hand, niks aan doen.

Hij keek mij eens aan. Dat vlekje op de vloer kon ik makkelijk verwijderen met nagellak remover, zei hij. Ik vroeg mij ter plekke zwijgend af welk middel hij zou hebben aangeraden als hij een man voor zich had gehad. Binnen vijf minuten vertrok hij weer.

Nou, ik vind anders dat het er best dramatisch uitziet, hoor. Kijk maar:

Dankzij plankgas twee minuten eerder terug

Na een wandeling reis ik vanuit Putten naar station Ede-Wageningen terug. Er rijdt een bus. Nummer 107 van Syntus vertrekt om 15.34 uur. Een uur en twee minuten later komen we op onze bestemming aan. Althans, volgens de dienstregeling. De chauffeur die ik tref, heeft daar blijkbaar geen boodschap aan. Wanneer ik instap, zegt hij hard ‘Hallo’. Ik check in en groet iets minder luid terug. De – weinige – medepassagiers begroet hij op identieke manier. Het is een detail.

We gaan op pad. Vrijwel direct geeft hij plankgas. Ik hoor de motor van de bus gieren. Dat heb je tegenwoordig bij bepaalde types. Wellicht is dat normaal, maar het klinkt zo onrustig. Wat evenmin kalmerend werkt, is hoe hij remt. Hij heeft kennelijk nooit het ‘nieuwe rijden’ aangeleerd.

Optrekken doet hij keihard; rijden ook. Pas wanneer het echt niet anders kan, trapt hij bovenop de rem. Ik klap daarbij steeds een stukje voorover. Gelukkig zit ik relatief veilig achter glas. Bij gebrek aan gordel moet je toch wat. En het moet gezegd, voor oude dametjes wacht hij rustig.

Kan je met een bus eigenlijk overal even hard rijden als met een personenauto? Ik bedoel: heeft zo’n ding geen langere remweg? De kapitein van een mammoettanker moet toch ook eerder remmen dan de kapitein van een roeiboot?

Ondertussen scheurt de chauffeur maar door. Zeer strak sturend door bochten en rond opdoemende verhogingen in middenbermen. Het gaat allemaal net. De bomen naast het asfalt flitsen langs.

Als je er niet gerust op bent, duurt een uur lang. Een groot deel van de tijd ben ik de enige passagier. Zodra er nieuwe mensen instappen, volgt het begroetingsritueel. Het zijn jongeren, verdiept in social media op hun smartphone. Uit niets blijkt dat ze merken hoe hard we gaan. Is het hun onbevangenheid of gaat dit om een verschil in perceptie? Misschien heb ik te vaak dollemansritten meegemaakt. We komen exact twee minuten voor tijd aan.

Uren later lig ik in bed en ‘voel’ ik het gejakker nog.