Geen gemoedsrust voor uitzendkracht of zzp’er

Inmiddels is een op de drie werkenden in Nederland tijdelijk in dienst of zzp’er. Als ik om mij heen kijk, zorgt dat voor weinig gemoedsrust. Starters op de arbeidsmarkt hebben moeite om een hypotheek af te sluiten. En degenen die al langer meedraaien, weten nooit hoe lang het duurt voordat ze de volgende opdracht binnenhalen. Er zijn uitzonderingen, zoals bepaalde ICT’ers. Maar de meeste tijdelijke krachten ervaren constant een knagende onrust. Wat daarbij niet helpt, zijn de verwachtingen van anderen.

Bijna iedereen in mijn omgeving weet dat ik sinds 2009 geen vast werk meer heb. Dat gaat om erg veel mensen. Bij ontmoetingen vragen ze altijd hoe het gaat met werk zoeken. Daar is nu een variant op gekomen. Vanaf het moment dat ik slechts een kans maakte op een betaalde opdracht, begon het al: ‘Oh, dan kan je misschien wel een vervolgopdracht krijgen.’ Sommigen hebben zo’n haast, dat ze vergeten mij met de huidige opdracht te feliciteren.

Het mag meestal om betrokkenheid gaan, toch is zo’n opmerking steevast een confrontatie. Alsof je aan je plichten wordt herinnerd. En feitelijk is dat ook zo. In onze maatschappij mag je niet niets doen. Neem jij een besluit waar anderen zich zorgen over maken, dan speelt ook hun belang een rol. Want als het mis gaat, wie draait er dan op voor de kosten? We betalen allemaal mee aan de bijstand en de WW. Vroeger gold dit nog veel sterker.

Mijn opa van moederskant heb ik helaas nooit gekend. Hij overleed twaalf jaar voordat ik werd geboren. In de crisisjaren dertig had hij een poosje geen of onvoldoende werk. Daarom ontving hij ‘steun’ voor hemzelf en zijn gezin. Ze woonden in een huurhuis. Totdat de ambtenaar besefte dat de vader van mijn oma enigszins vermogend was. Daarom moesten ze in een pand van haar vader trekken. Want de gemeente verhaalde de kosten voor ondersteuning op hem.

Mijn opa was iemand die qua werk alles aanpakte om voor zijn gezin te zorgen. Dat vertelde een ver familielid mij eens tijdens een uitvaart. Ik vond het fijn om dit te horen. Want ik ben met een andere indruk opgegroeid. Mijn opa zou vroeger een goede verkoper en zakenman zijn geweest, die flink verdiende. Totdat hij ‘in den Heere’ raakte en dat winst maken zondig begon te vinden. Waarna hij te ruimhartig met geld omsprong en er voor het gezin minder overbleef.

Op een gegeven moment kon deze opa werk krijgen bij de politie. Maar ‘met boeven vang je boeven’. In die tijd ging het er kennelijk ruw aan toe. Hij wilde er niet aan meewerken dat arme mensen met geweld uit hun huis werden gezet. Of iets dergelijks. Zo is mij onlangs verteld. Dus weigerde hij. De verteller keurde die keuze sterk af, ‘want zijn gezin moest toch ook ergens van leven?’

Nooit zal ik de volledige waarheid achterhalen rond deze anekdotes. Wel weet ik iets uit genealogisch onderzoek en andere vertellingen. Namelijk dat deze opa, én zijn vader, een moeilijke start kregen in het leven. Er is meer gezegd. Bijvoorbeeld dat hij een gangmaker was en graag op het toneel stond.

Voor zover ik het kan interpreteren, wilde hij positief blijven en met optredens even zijn problemen vergeten. Als man was hij verplicht om in zijn eentje voor het gezin te zorgen. In economisch moeilijke tijden moet dat zwaar op hem hebben gedrukt. Want ‘fatsoenlijke’ getrouwde vrouwen werkten toen niet buitenshuis. En hun dochters waren kennelijk gewend om in ledigheid thuis te wachten tot hun prins op het witte paard kwam voorrijden.

Advertenties

Als de kat van huis is / Zoon met PTSS

De buren zijn weer aan het klussen en aan mij de eer om de kat te verzorgen. Of ik ook de vuilnisbakken bij de weg wil zetten. Is goed hoor. De zoon zal halverwege deze week spullen ophalen. En: ‘of je dan even wil opletten of hij de deur op slot doet, want hij is een beetje slordig.’ Daar kan ik mij wat bij voorstellen. Ook al is hij de veertig gepasseerd en vader van vier kinderen. Volgens de buurvrouw heeft hij PTSS opgelopen in Bosnië, toen hij in het leger zat.

Slechts een keer heb ik hem gesproken sinds ik hier woon, bij de kennismaking met de buren. Hij kwam verlegen over en durfde mij nauwelijks aan te kijken. Als zij ’s zomers in de tuin zitten, en hij op bezoek komt, heeft hij wel het hoogste woord. Het is geen kwade gast, eerder een ongeleid projectiel. En hij heeft niet altijd de beste vriendjes, zeggen de buren zelf.

Een dag vroeger dan gepland hoor ik hem hun huis binnenkomen. Hij is een poos bezig met dozen in een geparkeerd busje laden. Rond etenstijd (voor de kat) loop ik naar buiten en spreek hem aan. Zijn gezicht oogt wat voller dan afgelopen winter, toen hij er bleek en mager uitzag. Bijna als een oude man. Hij leidt een onregelmatig leven en heeft een beroerd eet- en drinkpatroon. Maar nu hij er toch is, zal hij het beestje eten geven. Ik hoop dat dat lukt.

Kort daarna hoor ik hem vertrekken. Veel later, rond 20.00 uur, wordt er aangebeld. Een collectant aan de deur, die eerst vraagt of ik ‘die kat’ ken. Ze wijst naar het zwart/witte beest. Jawel. Alleen dacht ik dat ‘ie thuis zat, bij zijn water, voer en kattenbak. Er zit geen luik in de buitendeur. Ik merk wel dat de voordeur niet op slot zit zodra ik hem daar binnenlaat.

Midden in de nacht word ik wakker. Buiten ontwaar ik een flauw lichtschijnsel. Vreemd. Het komt bij de buren vandaan en het is 02.30 uur. Ze hebben lampjes met sensoren; misschien is de kat ergens langs gewandeld. Dat probeer ik mezelf wijs te maken. Een uur later sta ik toch maar op. Het licht brandt nog steeds. Zo krijgt die kat toch geen rustige nacht. Bovendien kan elke voorbijganger dwars door hun verlichte woonkamer kijken.

Dus pak ik met een zucht de sleutels en stap er in mijn pyjama op af. Het is 03.30 uur. Weer zit de voordeur niet op slot, terwijl ik de sleutel beslist twee keer heb omgedraaid. In het halletje floept het licht meteen aan. De deur naar de kamer staat nu open en de kat loopt me spinnend tegemoet. Hij blij. Maar een stap verder de woonkamer in zie ik de tv aan staan. Ik stok in mijn beweging.

Het moet de zoon zijn, die terug is gekomen. Hij zal voor de tv in slaap zijn gevallen. Ik durf niet verder te lopen. God mag weten hoe een vechter met PTSS reageert als hij plotseling uit zijn slaap wordt gehaald en een gedaante vlak bij zich ontwaart. Stilletjes sluip ik op mijn pantoffels terug en draai de deur op slot. Pfff, pantoffelheld.

De volgende ochtend (wanneer de kat zijn ontbijt verwacht) zie ik dat het licht binnen uit is. Op straat geen teken van de brommer van de zoon of het witte busje. Voor de zekerheid bel ik toch eerst aan. Niemand verschijnt. Maar eenmaal binnen, zie ik wel iemand op de bank liggen. Wie, dat kan ik niet zien. Misschien de zoon. Maar evengoed kan het een van zijn verkeerde vriendjes zijn, die een dak boven zijn hoofd nodig heeft. Shit.

Ik wacht tot 08.00 uur en bel dan de buurman. Hij weet ervan, het plan is veranderd. Dat gaat wel vaker zo ‘met dat jong. Maar het is een goede knul hoor’. Als ik wederom uren later van een boodschap thuiskom, word ik zowat besprongen door een enthousiast miauwende kat. Die onmiddellijk mijn huis binnenstormt zodra ik de deur open doe. Ja hallo, dit was niet de bedoeling. Ik moet hem echt naar buiten slepen, onderweg de sleutel van zijn huis grijpen en hem daar naar binnen schoppen. Overal ligt rommel. Het aanrecht staat vol lege blikjes en vuile vaat.

Binnen hangt een grote sleutelbos aan het voordeurslot en de zoon is nergens te bekennen. Ik heb maar even een sms’je naar de buurman gestuurd. Zodat hij op de hoogte is en maatregelen kan nemen. Voordat je het weet, staat zijn zoon midden in de nacht bij mij aan te bellen. Want dag en nacht lopen bij hem een beetje door elkaar. En vanavond keert hij terug naar het huis van zijn ouders.

Kan dus worden vervolgd …

Als de euro valt

Op Funda staat het pand dat mijn oudtante vroeger met haar man bezat. De vraagprijs bedraagt € 750.000. Voor 147 m2 woonoppervlak in de Leidse binnenstad. Een blogger schrijft over zijn dienstreis naar Amerika. Hij kan daar een geliefde ontmoeten, maar de ticketprijs is hoog. € 400 voor een bliksembezoek van twee dagen. Ooit telde ik zo’n bedrag neer vanwege een dagdeel tijdwinst. Voor een ontmoeting of een speciale situatie. Nu herinner ik me de exacte situatie niet eens meer. Euro’s. We smijten ze over de balk of we klampen ons eraan vast. Maar wat beginnen we als onze munteenheid onderuit gaat?

VPRO Tegenlicht aflevering Laatste kans voor de euro maakt die vraag prangend. We willen er niet aan denken dat ons banksaldo plotseling verdampt. Wat kunnen we ook anders? We hebben geen grip op een potentiële ramp die de hele wereld omvat. Bovendien zitten we in een systeem waar we moeilijk uit stappen. En de euro is daar onderdeel van. Het is nu maar net wat een gek voor die munteenheid geeft. Vergelijk het met de woningmarkt. Daar is de vraagprijs evengoed losgezongen van de reële waarde.

Misschien zijn de hoge huizenprijzen al een voorbode en een teken van vrees. Goud als beleggingsmiddel staat tenslotte ook bekend als ‘gestolde angst’. In menig land zonder betrouwbaar banksysteem steken inwoners hun geld in onroerend goed en edelmetaal. Dat behoudt tenminste een zekere waarde. En wil je risico spreiden, dan moet je op meerdere paarden tegelijk wedden.

Af en toe denk ik wel na over wat ik zou kunnen doen. Mijn afbetaalde en redelijk onderhouden woning is een stevige basis. Er is ruimte voor een moestuin en het fruit groeit al overvloedig. Ik kan een voorraad kleding, schoeisel, levensmiddelen en toiletartikelen aanleggen. Plus kaarsen, lucifers en wat brandstof. Of alvast een rekening in buitenlandse valuta openen en goud kopen. Maar verder?

Stel dat de euro volgende maand onderuit gaat, ben je dan voorbereid? Wat ga je doen?

Ze bestaan wél

Als je groter wordt, maken ze je wijs dat elfjes en kabouters niet bestaan. Maar gisteren was ik niet thuis. En toen ik vanmorgen de gordijnen open deed, zag ik dat er een het dak van mijn schuur heeft schoongeveegd. Dus. Ze bestaan wel.

Of is hij soms weer bezig geweest?

De kat van de buren

Apeldoorn werpt licht op Arnhem

Inmiddels ben ik ruim twee jaar een buurvrouw van Arnhem. Mensen vragen mij soms wat ik van die stad en zijn inwoners vind. Als ultra chauvinistische ex-Leidse schiet ik dan steeds in een kramp. Het blijft lastig. Want hoe kan ik Arnhem en de bevolking nu in een paar woorden vatten? Niet alleen zijn de wijken heel verschillend. Ik mis essentiële kennis van de stadsgeschiedenis om iets over het karakter van de mensen te zeggen. Want misschien schuilt daarin de verklaring waarom Arnhem zo ‘hard’ op mij over komt, en toch ook weer niet.

Sinds vandaag kan ik eindelijk iets meer over de bevolking melden. Dankzij Apeldoorn. Want daar was ik met een Haarlemse vriendin. We zaten er uren in Café le Paris aan de koffie, omdat ik nu even niet ver wandelen kan. Toen we buiten kwamen, zei zij: ‘Er is hier zo weinig diversiteit als je naar het winkelende publiek kijkt.’ En ik begreep haar meteen. Dit gaat niet over expats of allochtonen uit verschillende regionen.

Zij doelt op een ander soort homogeniteit. Ze zag geen studentikoze types, geen uitgesproken nerds, geen alternatievelingen, geen emo’s, geen opvallend artistieke lieden, geen hipsters, geen yuppen, geen literaire-boekenwurmen, geen snelle-carrièremensen, geen zichtbaar ‘afwijkende’ gendertypes, geen kleurrijke wereldreizigers, geen macho’s, geen bedelende alcoholisten, geen loserachtige drugsdealertjes en geen aanstellerige binnenstadweirdo’s. Iedereen oogt gewoon heel gewoon. In elk geval daar bij het plein.

Arnhem ligt buiten de Randstad (al is het de vraag hoe lang nog). De bevolking is zichtbaar lager opgeleid dan de Leidse. De samenstelling ervan is ook anders en ze doen er op het eerste gezicht een beetje afstandelijk. Maar er loopt wel van alles rond. En dat vind ik fijn.

Bovendien: Arnhem heeft het allermooiste station.

 

Maar wat is dan ‘stoer’? (3)

Nondeju! Nu ben ik nog een cruciaal aspect vergeten over uiterlijk in deel 1 en deel 2. Ineens dook een herinnering op aan een uitspraak van een oude Duitse vrouw. Hoe het mogelijk was geweest dat de SS zo’n grote aanhang had gekregen. De mensen waren arm na de Eerste Wereldoorlog. En toen verschenen er SS’ers in het straatbeeld. Strak georganiseerde groepen mannen in zo’n mooi en imponerend zwart uniform.

Die SS’ers straalden kracht en stoerheid uit, en een duister soort aantrekkelijkheid. Want dat is wat er ook van macht uit gaat. Macht trekt mensen als vliegen aan. Veel mannen én vrouwen willen graag met machtige mensen worden gezien. Alsof de macht van die ander op henzelf afstraalt. En omdat die persoon dingen voor hen gedaan krijgt. Al komt dat meestal met een prijs. Overheersen en altruïsme gaan zelden samen. Lees verder “Maar wat is dan ‘stoer’? (3)”

Maar wat is dan ‘stoer’? (2)

Het blijft maar in mijn hoofd rondzingen, dus is het nog niet klaar. Die definitie van ‘stoer’ in mijn oude Dikke Van Dale is deels achterhaald. Stoerheid kan zitten in uitstraling, karakter en daden. Bij zowel mannen als vrouwen. Hoe meer kenmerken iemand vertoont, hoe stoerder hij is. Uiterlijke verschijnselen alleen, daar prik je zo doorheen. Als ik een top-5 maak van wat ik bijzonder stoer vind, wordt snel duidelijk hoe het zit. Daar gaan we.

  1. Kinderen baren en ze vervolgens twintig jaar lang een goede start in hun leven geven.
  2. Een onderneming beginnen met minimaal tien man personeel. En die langdurig rendabel maken, zelfs als de economie tegenzit.
  3. Je eigen pad kiezen en volgen, wat er ook gebeurt. Niet zeuren, zelf doen. Maar als je iets echt niet zelf kan, een ander gewoon om hulp vragen.
  4. Fouten onder ogen komen en erkennen ten overstaan van degene die er last van heeft. Het weer goedmaken, voor zover dat kan.
  5. Ook iemand waar je de pest aan hebt als volwaardig mens blijven zien en benaderen.

Tja, daar sta je dan met je leren jasje en je stoere laarzen. Al kunnen ware stoerheid en uiterlijkheden best samengaan. Denk maar aan Mad Max, zoals hij werd vertolkt door Mel Gibson in The Road Warrior. Stoerder dan zo kom je ze zelden tegen, zelfs in Australië. Waarom anders denk je dat ik vijf keer naar dat land toe ben gegaan?

En nog is het laatste woord niet gezegd over stoerheid.