Als de kat van huis is / Zoon met PTSS

De buren zijn weer aan het klussen en aan mij de eer om de kat te verzorgen. Of ik ook de vuilnisbakken bij de weg wil zetten. Is goed hoor. De zoon zal halverwege deze week spullen ophalen. En: ‘of je dan even wil opletten of hij de deur op slot doet, want hij is een beetje slordig.’ Daar kan ik mij wat bij voorstellen. Ook al is hij de veertig gepasseerd en vader van vier kinderen. Volgens de buurvrouw heeft hij PTSS opgelopen in Bosnië, toen hij in het leger zat.

Slechts een keer heb ik hem gesproken sinds ik hier woon, bij de kennismaking met de buren. Hij kwam verlegen over en durfde mij nauwelijks aan te kijken. Als zij ’s zomers in de tuin zitten, en hij op bezoek komt, heeft hij wel het hoogste woord. Het is geen kwade gast, eerder een ongeleid projectiel. En hij heeft niet altijd de beste vriendjes, zeggen de buren zelf.

Een dag vroeger dan gepland hoor ik hem hun huis binnenkomen. Hij is een poos bezig met dozen in een geparkeerd busje laden. Rond etenstijd (voor de kat) loop ik naar buiten en spreek hem aan. Zijn gezicht oogt wat voller dan afgelopen winter, toen hij er bleek en mager uitzag. Bijna als een oude man. Hij leidt een onregelmatig leven en heeft een beroerd eet- en drinkpatroon. Maar nu hij er toch is, zal hij het beestje eten geven. Ik hoop dat dat lukt.

Kort daarna hoor ik hem vertrekken. Veel later, rond 20.00 uur, wordt er aangebeld. Een collectant aan de deur, die eerst vraagt of ik ‘die kat’ ken. Ze wijst naar het zwart/witte beest. Jawel. Alleen dacht ik dat ‘ie thuis zat, bij zijn water, voer en kattenbak. Er zit geen luik in de buitendeur. Ik merk wel dat de voordeur niet op slot zit zodra ik hem daar binnenlaat.

Midden in de nacht word ik wakker. Buiten ontwaar ik een flauw lichtschijnsel. Vreemd. Het komt bij de buren vandaan en het is 02.30 uur. Ze hebben lampjes met sensoren; misschien is de kat ergens langs gewandeld. Dat probeer ik mezelf wijs te maken. Een uur later sta ik toch maar op. Het licht brandt nog steeds. Zo krijgt die kat toch geen rustige nacht. Bovendien kan elke voorbijganger dwars door hun verlichte woonkamer kijken.

Dus pak ik met een zucht de sleutels en stap er in mijn pyjama op af. Het is 03.30 uur. Weer zit de voordeur niet op slot, terwijl ik de sleutel beslist twee keer heb omgedraaid. In het halletje floept het licht meteen aan. De deur naar de kamer staat nu open en de kat loopt me spinnend tegemoet. Hij blij. Maar een stap verder de woonkamer in zie ik de tv aan staan. Ik stok in mijn beweging.

Het moet de zoon zijn, die terug is gekomen. Hij zal voor de tv in slaap zijn gevallen. Ik durf niet verder te lopen. God mag weten hoe een vechter met PTSS reageert als hij plotseling uit zijn slaap wordt gehaald en een gedaante vlak bij zich ontwaart. Stilletjes sluip ik op mijn pantoffels terug en draai de deur op slot. Pfff, pantoffelheld.

De volgende ochtend (wanneer de kat zijn ontbijt verwacht) zie ik dat het licht binnen uit is. Op straat geen teken van de brommer van de zoon of het witte busje. Voor de zekerheid bel ik toch eerst aan. Niemand verschijnt. Maar eenmaal binnen, zie ik wel iemand op de bank liggen. Wie, dat kan ik niet zien. Misschien de zoon. Maar evengoed kan het een van zijn verkeerde vriendjes zijn, die een dak boven zijn hoofd nodig heeft. Shit.

Ik wacht tot 08.00 uur en bel dan de buurman. Hij weet ervan, het plan is veranderd. Dat gaat wel vaker zo ‘met dat jong. Maar het is een goede knul hoor’. Als ik wederom uren later van een boodschap thuiskom, word ik zowat besprongen door een enthousiast miauwende kat. Die onmiddellijk mijn huis binnenstormt zodra ik de deur open doe. Ja hallo, dit was niet de bedoeling. Ik moet hem echt naar buiten slepen, onderweg de sleutel van zijn huis grijpen en hem daar naar binnen schoppen. Overal ligt rommel. Het aanrecht staat vol lege blikjes en vuile vaat.

Binnen hangt een grote sleutelbos aan het voordeurslot en de zoon is nergens te bekennen. Ik heb maar even een sms’je naar de buurman gestuurd. Zodat hij op de hoogte is en maatregelen kan nemen. Voordat je het weet, staat zijn zoon midden in de nacht bij mij aan te bellen. Want dag en nacht lopen bij hem een beetje door elkaar. En vanavond keert hij terug naar het huis van zijn ouders.

Kan dus worden vervolgd …

Advertenties

Grote baggerpoten in de woonkamer

Het was bekend dat mijn oude arbeidershuisje moest worden opgeknapt. Een verbouwing van de keuken, het toilet en het stalletje was direct nodig. Intussen bleef de lijst met onderhoudsklussen groeien. Bij tachtig raakte ik de tel kwijt.

Dus begrijp ik best dat werklui rommel maken. Er valt trouwens te leven met veertien mega grote dozen in de woonkamer. Zoals wanneer de keuken een weekje op montage moet wachten, omdat het stucwerk nog droogt. Logisch ook dat je maandenlang in een ravage woont. Overal kale muren, losse snoeren, uitstekende buizen en hier en daar wat open afvoeren. De afwas doe je gewoon in de badkamer. Kan best. Dat de stroom weleens uitvalt … Soit. En die lekkage in de badkamer? Ach, doe er maar gelijk bij. We zijn toch al bezig. Sloten en drempels en ramen vervangen, het trapgat vergroten en leuningen ophangen? Geen probleem. Nieuwe kabels voor razendsnel internet? Doe maar. Dat geboor in de buitenmuur valt toch niemand meer op hier. Slimme meters voor gas en elektra? Prima, is dat ook weer geregeld. Wat? Waterslag in de leiding? Geen probleem, daar weten we raad mee. Pakken we gelijk samen met de buren de vervanging van de schutting mee. En deze week de renovatie van de schoorsteen.

Dus ben ik gewend om bouwvakkers over de vloer te hebben. Wat ik alleen niet vat, is waarom het nu werkelijk altijd moet gieten als zij bezig zijn. Precies wanneer ze met hun grote baggerschoenen en vuildruipende gereedschap dwars door mijn elegante woonkamer moeten lopen. Altijd hé. Altijd. Vandaag dus ook. Kunnen zij niks aan doen, weet ik wel.

Dus als het KNMI weer eens grote droogte verwacht, plan ik gewoon de volgende klus in. Stortbuien verzekerd.

(Ondertussen hoop ik maar dat het nieuwe cement van de schoorsteen niet wegspoelt.)

Gewetensvraag in de plantenzaak

De vorige eigenaresse heeft aan de straatkant een Engels tuintje aangelegd met buxushaagjes en hortensia’s. Toen ik het huis kocht, stond alles er picobello bij. Achteraf gezien moet ze daar veel zorg aan hebben besteed. Ik woon op arme zandgrond en die is meestal kurkdroog. Het vergt dan ook de nodige bemesting en bewatering om alles groen en fleurig te houden. En nu wordt mijn pronktuintje bedreigd. Want wat blijkt? De buxusmot is bezig aan een desastreuze opmars.

Eerst werd een van mijn mooie bolvormige struiken een beetje rafelig. Er kwamen bruine plekken in en daarna werd hij kaal. Van dichtbij ziet het er onsmakelijk aangevreten uit. De kaalslag breidde zich snel uit naar de ernaast staande struikjes.

Dus op naar de plantenzaak. In het schap staat een batterij bestrijdings- middelen in soorten en maten. Van zwaar giftig tot milieuvriendelijk. Een aardige medewerker vol tatoeages vraagt of hij kan helpen. Ik ben hier duidelijk niet de enige die met buxusmot zit opgescheept. Het gezochte middel is helemaal uitverkocht. ‘We konden nog net een doosje krijgen van een ander middel.’, vertelt hij.

Hij stelt een keuze voor tussen het grove geschut en het zachtaardige ecologische product. En hij vraagt wat ik wil. Het milieuvriendelijke middel werkt op basis van kruiden. Een ander is nog slimmer gebaseerd op kennis van de natuur. Dat werkt met feromonen, maar daarvoor is het in dit stadium te laat. Tja, daar sta ik dan, met mijn achtertuin vol bijen- en vlindervriendelijke struiken. Ik wil helemaal geen gif. Maar die rotrupsen vreten mijn haagjes kaal waar ik bij sta. Rücksichtslos kies ik voor het kwade.

Eenmaal terug wrik ik met moeite de bijna dode bolle buxus uit de grond. Ernaast blijven wat zielige struikjes over. Misschien zijn die ook al reddeloos verloren, maar de rest staat er nog tamelijk gezond bij. Gewetenloos sla ik aan het sprayen. Ik zie het ongedierte voor mijn ogen ineenkrimpen. Of is dat mijn verbeelding? Daarna gaat het regenen.

Tevreden over deze doeltreffende actie stap ik weer naar binnen. De volgende ochtend zie ik een rups bewegingloos op een struikje zitten. Die is goed te grazen genomen. Maar even later is hij verdwenen. Nee! Inmiddels heb ik met de hand zo veel mogelijk rupsen tussen de blaadjes vandaan geplukt. Zeker dertig stuks en het is een slijmerige toestand.

Ik betwijfel of het gif afdoende was. Een straat verderop zag ik vergelijkbare kaalslag. Daarom wacht ik met angst en beven het naderende onheil af. Natuurlijk, dit is klein bier vergeleken met de dreigementen van Noord-Korea en de Amerikanen. Daarom zou ik willen dat roekeloze leiders milieuvriendelijk gingen tuinieren. Dan kunnen ze hun overtollige energie kwijt en beseffen ze eindelijk hoeveel moeite het kost om iets duurzaam op te bouwen.

Over drukke en rustige mensen

Deze week was ik te gast bij een nog vrij nieuw gevormd paar. Haar ken ik al jaren van wandelingen in het midden van het land. Hem ook, maar dan van wandelingen in een andere regio, dus apart. Haar zag ik slechts af en toe. Hem zag ik vaker. Het is een rustige man. Allebei zijn ze aardig en verlangen ze naar een stille woonomgeving. We spraken dan ook vaak over onze woonervaringen. Zo ontstond er de afgelopen jaren een vervolgverhaal. Zij heeft inmiddels haar huis verkocht en het zijne staat sinds kort te koop. Ze willen verhuizen naar een dunbevolkt deel van het land. Nu zij bij hem is ingetrokken, nodigden ze mij uit.

Hij woont op een stuk grond waarvan ik alleen maar kan dromen. Negentiende-eeuws vrijstaand huis met puntdak. Slechts de rood/witte luiken uit mijn ideaalbeeld ontbreken. Riante tuin rondom. En dan dat uitzicht vanuit hun doorzonaanbouw … Een eigen weiland waar zijn paard kan ronddartelen, zo ver als het oog reikt. Naar mijn idee. Ik mag dan een ex-Randstedeling zijn, zelfs nabij Apeldoorn is dit geen doorsnee perceel. Maar grenzen verschuiven. Hij vindt het wat krap worden, want bebouwing kruipt steeds naderbij.

Ik had er graag langer willen rondbanjeren. Een praatje met de kippen maken, even bij de schaapjes in hun schuur langsgaan en dan een bezoek aan het paard brengen. Nu werd het een korte rondleiding samen met hem. Hij heeft alles eigenhandig gebouwd.

Daarna gingen we zitten en voerde vooral zij het gesprek. Ze is vriendelijk, belangstellend en, meer dan eerder opviel, een prater. Het werd een wat vreemde gewaarwording. Want ik ken ze afzonderlijk als volwaardige gesprekspartners, terwijl hij nu vrijwel in het geheel verdween. Kennelijk zat hij er niet mee. Maar ik vond het jammer. Qua gespreksstof is hij boeiender en nu raakt hij ondergesneeuwd. Hopelijk verandert dat weer als de nieuwigheid er af is. Want anders blijft de rust ver te zoeken; waar ze ook heen gaan.

Voor niets een monteur gebeld

Na twee jaar zorgt mijn oude arbeidershuis nog steeds voor verrassingen. Afgelopen zondag lag er een soort teerdruppel op de keldervloer. Daarboven loopt een buis langs de muur. Die is wit gekalkt door vorige bewoners. Het ziet er ruw en oud uit. Eigenlijk wist ik niet goed waar die buis voor was. Hij komt van onder de grond door de buitenmuur naar binnen, maakt dan een knik omhoog en verdwijnt in een gat door de houten trap erboven. Precies ter hoogte van de meterkast.

Dus ik volgde het spoor en jawel: hij sluit aan op een metalen kastje van waaruit leidingen lopen naar de groepenkast. Elektriciteit dus. En die leiding drupte dus … Zulke dingen ontdek ik nou altijd in het weekend. Precies wanneer er niemand bij de helpdesk zit. De stoppen waren nog niet doorgeslagen, dus ik hoefde niet meteen in paniek te raken, bezwoer ik mezelf. Maar echt lekker sliep ik daarna niet.

Op maandag heb ik gelijk Liander gebeld, en kreeg ik een meneer aan de lijn. ‘Ziet het er teerachtig uit?’ vroeg hij, nadat ik de situatie had geschetst. (Ik blij dat hij begreep waarover het ging.) ‘Ja!’, zei ik. ‘Oh,’ zei hij ‘dat is heel normaal.’

Nou ja zeg, die had ik even niet verwacht. Er kon toch water in de leiding zijn gelopen? Dat is toch gevaarlijk! Misschien moesten ze mijn hele voortuin wel open graven. Ik had de bui al zien hangen. Ging hij mij nu afpoeieren soms? ‘Zal ik foto’s sturen?’, vroeg ik nog. Want die had ik al met mijn mobieltje genomen.

‘Neuh, hoeft niet’, zei hij. Maar ik had verteld dat het huis al oud is, dus voor de zekerheid zou hij toch een monteur laten komen. Hij vroeg mijn vaste telefoonnummer, mijn mobiele nummer en mijn e-mailadres. Dan kon hij doorgeven wanneer. Er kwam echter geen belletje of berichtje meer.

Vandaag om 11.00 uur werd er onverwacht aangebeld. De monteur. Dat is nu al de tweede keer dat niemand doorgeeft wanneer zo iemand komt. Ze boffen maar dat ik zogezegd de hele dag op de bank thuis zit. Hij keek ernaar, zei dat het onlangs erg warm was geweest en dat de kabel dan gaat ‘zweten’. Niets aan de hand, niks aan doen.

Hij keek mij eens aan. Dat vlekje op de vloer kon ik makkelijk verwijderen met nagellak remover, zei hij. Ik vroeg mij ter plekke zwijgend af welk middel hij zou hebben aangeraden als hij een man voor zich had gehad. Binnen vijf minuten vertrok hij weer.

Nou, ik vind anders dat het er best dramatisch uitziet, hoor. Kijk maar:

Drie buurmannen en een nieuwe buurvrouw

Beter een goede buur dan een verre vriend, zeggen ze. Ik kan hier best door een deur met mijn buren. Ook al moeten we soms gezamenlijk onderhoud regelen. Vooral de linkerburen en ik leven dicht bijeen. Onze keukendeuren openen naar elkaar toe. Met slechts vier meter afstand en een tuinmuurtje ertussen, hoor je al gauw veel. Dus houden we onze woongeluiden binnen de perken. Alleen hun kat trekt zich nergens wat van aan.

‘T. is het helemaal zat.’, staat vandaag op de voorpagina van onze dorpskrant. “Waarom moet ik last hebben van de keuzes die anderen maken? Ik wil ’s zomers gewoon mijn tuindeuren open kunnen zetten zonder dat de kat van de buren binnenkomt.” Waarschijnlijk ken ik deze persoon. Leuke vrouw. Steeds wanneer ik haar zie, is ze ergens in verwikkeld. Haar relaas is altijd boeiend.

Ach, kijk hem nou toch. Denkt dat ‘ie onzichtbaar is.

Ook ‘mijn’ kat van de buren wandelt bij voorkeur dagelijks langs de openstaande keukendeur naar binnen. Wat niet de bedoeling is. Hij overschrijdt alle grenzen. In mijn tuin kan hij namelijk lekker op kikkerjacht. En wat er rondvliegt, vindt hij even interessant. Al zeg ik nog zo vaak dat hij geen kikkers en bijtjes mag molesteren, hij doet het toch. Maar ja, hij is ook mijn grote vriend.

Met zijn baasjes heb ik een prima verstandhouding. Daarom baal ik zo dat hun huis binnen een maand is verkocht. De buurman zei eerder nog met zijn Mokumse accent: ‘We zullen wel zorgen dat je een leuk buurvrouwtje krijgt.’ Hij regelt namelijk alles. Alleen heb ik veel liever een leuke buurman. Maar bijgelovig als ik ben, durfde ik niet door eigen ‘sturing’ de gang van het lot te beïnvloeden. Dus hield ik mijn mond.

En nu komt er toch een vrouw. Tijdens de bezichtigingen kon ik haar horen. Ze praat hard en ze heeft een scherpe stem. Bah. In gedachten noem ik haar nu al ‘dat mens’. Daar moet ik mentaal dus nog even aan werken voordat ze komt.

Dan mijn buurman aan de andere kant. Is een oude weduwnaar en staat niet bekend als ‘makkelijk’. Had een ernstig getroebleerde relatie met drie opeenvolgende eigenaren van mijn pand. Praat niet met zijn buren rechts en aan de overkant. Ziet zijn kinderen zelden. Kennelijk zitten ook die verhoudingen vol trammelant.

Vandaag ging ik met een beetje lood in mijn schoenen bij hem op bezoek. Want er moet al twee jaar iets worden gerepareerd. Een eerdere poging strandde op het korte antwoord: ‘geen geld’. Toch valt er best met hem te praten. Zelfs over zo’n lastig onderwerp als gezamenlijk onderhoud. Misschien maakt hij via mij goed, wat er bij al die anderen is misgegaan.

Zoals vroeger in onze achtertuin

Als kind groeide ik op in een rijtjeshuis met voor- en achtertuin. In mijn huidige achtertuin klinkt het als toen, zo’n veertig jaar geleden. Het is alsof de tijd hier heeft stilgestaan. Vooral op zomerse dagen. Vandaag zijn de omstandigheden ideaal.

Het zonnetje schijnt en de lucht is blauw. Een paar huizen verderop tjilpt een zwermpje mussen. Dan vallen ze stil. Heel hoog in de lucht zweeft een vliegtuig voorbij. Je hoort hem niet.
Zachtjes ritselt de wind door struikgewas. Bijen zoemen om bloemen heen. En ergens verderop blaft een hond, slechts een keer. Daarna is het weer onvoorstelbaar stil.

Het doet mij ook terugdenken aan lome zomervakanties in Frankrijk. Een camping op het platteland aan de oever van de Loire. Jaren zeventig. ’s Morgens naar de boulangerie in het dorp voor stokbrood en taartjes. ’s Middags een stukje wandelen naar het kasteel of door het bos. Eens stonden we oog in oog met een lynx, in het groen bijna onzichtbaar. Frankrijk was op haar allerbest. En ons land misschien ook wel.

Wat blijft het wonderbaarlijk dat ik precies hier ben beland, afgelopen zondag twee jaar geleden.