Voor niets een monteur gebeld

Na twee jaar zorgt mijn oude arbeidershuis nog steeds voor verrassingen. Afgelopen zondag lag er een soort teerdruppel op de keldervloer. Daarboven loopt een buis langs de muur. Die is wit gekalkt door vorige bewoners. Het ziet er ruw en oud uit. Eigenlijk wist ik niet goed waar die buis voor was. Hij komt van onder de grond door de buitenmuur naar binnen, maakt dan een knik omhoog en verdwijnt in een gat door de houten trap erboven. Precies ter hoogte van de meterkast.

Dus ik volgde het spoor en jawel: hij sluit aan op een metalen kastje van waaruit leidingen lopen naar de groepenkast. Elektriciteit dus. En die leiding drupte dus … Zulke dingen ontdek ik nou altijd in het weekend. Precies wanneer er niemand bij de helpdesk zit. De stoppen waren nog niet doorgeslagen, dus ik hoefde niet meteen in paniek te raken, bezwoer ik mezelf. Maar echt lekker sliep ik daarna niet.

Op maandag heb ik gelijk Liander gebeld, en kreeg ik een meneer aan de lijn. ‘Ziet het er teerachtig uit?’ vroeg hij, nadat ik de situatie had geschetst. (Ik blij dat hij begreep waarover het ging.) ‘Ja!’, zei ik. ‘Oh,’ zei hij ‘dat is heel normaal.’

Nou ja zeg, die had ik even niet verwacht. Er kon toch water in de leiding zijn gelopen? Dat is toch gevaarlijk! Misschien moesten ze mijn hele voortuin wel open graven. Ik had de bui al zien hangen. Ging hij mij nu afpoeieren soms? ‘Zal ik foto’s sturen?’, vroeg ik nog. Want die had ik al met mijn mobieltje genomen.

‘Neuh, hoeft niet’, zei hij. Maar ik had verteld dat het huis al oud is, dus voor de zekerheid zou hij toch een monteur laten komen. Hij vroeg mijn vaste telefoonnummer, mijn mobiele nummer en mijn e-mailadres. Dan kon hij doorgeven wanneer. Er kwam echter geen belletje of berichtje meer.

Vandaag om 11.00 uur werd er onverwacht aangebeld. De monteur. Dat is nu al de tweede keer dat niemand doorgeeft wanneer zo iemand komt. Ze boffen maar dat ik zogezegd de hele dag op de bank thuis zit. Hij keek ernaar, zei dat het onlangs erg warm was geweest en dat de kabel dan gaat ‘zweten’. Niets aan de hand, niks aan doen.

Hij keek mij eens aan. Dat vlekje op de vloer kon ik makkelijk verwijderen met nagellak remover, zei hij. Ik vroeg mij ter plekke zwijgend af welk middel hij zou hebben aangeraden als hij een man voor zich had gehad. Binnen vijf minuten vertrok hij weer.

Nou, ik vind anders dat het er best dramatisch uitziet, hoor. Kijk maar:

Drie buurmannen en een nieuwe buurvrouw

Beter een goede buur dan een verre vriend, zeggen ze. Ik kan hier best door een deur met mijn buren. Ook al moeten we soms gezamenlijk onderhoud regelen. Vooral de linkerburen en ik leven dicht bijeen. Onze keukendeuren openen naar elkaar toe. Met slechts vier meter afstand en een tuinmuurtje ertussen, hoor je al gauw veel. Dus houden we onze woongeluiden binnen de perken. Alleen hun kat trekt zich nergens wat van aan.

‘T. is het helemaal zat.’, staat vandaag op de voorpagina van onze dorpskrant. “Waarom moet ik last hebben van de keuzes die anderen maken? Ik wil ’s zomers gewoon mijn tuindeuren open kunnen zetten zonder dat de kat van de buren binnenkomt.” Waarschijnlijk ken ik deze persoon. Leuke vrouw. Steeds wanneer ik haar zie, is ze ergens in verwikkeld. Haar relaas is altijd boeiend.

Ach, kijk hem nou toch. Denkt dat ‘ie onzichtbaar is.

Ook ‘mijn’ kat van de buren wandelt bij voorkeur dagelijks langs de openstaande keukendeur naar binnen. Wat niet de bedoeling is. Hij overschrijdt alle grenzen. In mijn tuin kan hij namelijk lekker op kikkerjacht. En wat er rondvliegt, vindt hij even interessant. Al zeg ik nog zo vaak dat hij geen kikkers en bijtjes mag molesteren, hij doet het toch. Maar ja, hij is ook mijn grote vriend.

Met zijn baasjes heb ik een prima verstandhouding. Daarom baal ik zo dat hun huis binnen een maand is verkocht. De buurman zei eerder nog met zijn Mokumse accent: ‘We zullen wel zorgen dat je een leuk buurvrouwtje krijgt.’ Hij regelt namelijk alles. Alleen heb ik veel liever een leuke buurman. Maar bijgelovig als ik ben, durfde ik niet door eigen ‘sturing’ de gang van het lot te beïnvloeden. Dus hield ik mijn mond.

En nu komt er toch een vrouw. Tijdens de bezichtigingen kon ik haar horen. Ze praat hard en ze heeft een scherpe stem. Bah. In gedachten noem ik haar nu al ‘dat mens’. Daar moet ik mentaal dus nog even aan werken voordat ze komt.

Dan mijn buurman aan de andere kant. Is een oude weduwnaar en staat niet bekend als ‘makkelijk’. Had een ernstig getroebleerde relatie met drie opeenvolgende eigenaren van mijn pand. Praat niet met zijn buren rechts en aan de overkant. Ziet zijn kinderen zelden. Kennelijk zitten ook die verhoudingen vol trammelant.

Vandaag ging ik met een beetje lood in mijn schoenen bij hem op bezoek. Want er moet al twee jaar iets worden gerepareerd. Een eerdere poging strandde op het korte antwoord: ‘geen geld’. Toch valt er best met hem te praten. Zelfs over zo’n lastig onderwerp als gezamenlijk onderhoud. Misschien maakt hij via mij goed, wat er bij al die anderen is misgegaan.

Zoals vroeger in onze achtertuin

Als kind groeide ik op in een rijtjeshuis met voor- en achtertuin. In mijn huidige achtertuin klinkt het als toen, zo’n veertig jaar geleden. Het is alsof de tijd hier heeft stilgestaan. Vooral op zomerse dagen. Vandaag zijn de omstandigheden ideaal.

Het zonnetje schijnt en de lucht is blauw. Een paar huizen verderop tjilpt een zwermpje mussen. Dan vallen ze stil. Heel hoog in de lucht zweeft een vliegtuig voorbij. Je hoort hem niet.
Zachtjes ritselt de wind door struikgewas. Bijen zoemen om bloemen heen. En ergens verderop blaft een hond, slechts een keer. Daarna is het weer onvoorstelbaar stil.

Het doet mij ook terugdenken aan lome zomervakanties in Frankrijk. Een camping op het platteland aan de oever van de Loire. Jaren zeventig. ’s Morgens naar de boulangerie in het dorp voor stokbrood en taartjes. ’s Middags een stukje wandelen naar het kasteel of door het bos. Eens stonden we oog in oog met een lynx, in het groen bijna onzichtbaar. Frankrijk was op haar allerbest. En ons land misschien ook wel.

Wat blijft het wonderbaarlijk dat ik precies hier ben beland, afgelopen zondag twee jaar geleden.

Deur open laten staan

De bus komt er al aan, wanneer ik mij afvraag of ik de deur wel heb dichtgedaan. Het is zo’n alledaagse handeling die je bijna gedachteloos uitvoert. Daarom is het achteraf lastig bepalen wat je precies hebt gedaan. Als ik de bus nu laat passeren, dan kom ik te laat op een afspraak. Tegen beter weten in stel ik mezelf gerust met ‘vast wel’ en stap in. Maar dan zit je dus niet rustig. Ondertussen wordt met elke minuut de afstand tussen hier en huis groter.

‘Ach’, denk ik, ‘het is slechts de tuindeur.’ Al heb ik die wel wijd open gezet. Maar wil je in huis komen, dan moet je toch eerst een gesloten poort passeren. Dat kan alleen door over het dak van de schuur te klimmen. De buren links en rechts zijn thuis. Zij hebben het ook meteen door als iemand mijn poortdeur probeert te forceren. Zo’n vaart zal het niet lopen. Hoop ik.

Want ik moet er toch niet aan denken dat net nu, toevallig deze ochtend, iemand aanbelt, mij niet thuis treft, door het raam vanaf de straatkant kijkt, en die achterdeur open ziet staan. Bijvoorbeeld. De zoon van de buren kwam eens achterom, trof hun poortdeur gesloten aan, zette een vuilnisbak tegen de muur en was binnen 5 seconden binnen. Maar hij heeft in het leger gezeten. Dit kunnen doorsnee voorbijgangers heus niet. Toch?

Alleen: stel je eens voor dat er wel een gelegenheidsdief binnen komt. Wat neemt die dan mee? Als eerste mijn laptop. En daarna slaat mijn fantasie op hol. Kortom, als ik na een half uur op mijn bestemming ben, keer ik voortijdig weer om.

Leven in een klein wereldje

Je hoort weleens dat het leefwereldje van mensen zonder werk erg klein wordt. Inderdaad kan ik de hele wereld buiten houden en slechts een fluitende merel in de tuin aanhoren. Toch blijft de wereld in mijn hoofd ruimer dan de afmetingen van mijn lapje grond. De wereld is zo groot of zo klein als je hem zelf maakt. Al sta ik nu wel langer stil bij vraagstukken van postzegelformaat. Zoals de volgende situatie.

In de grond van mijn tuin leven lange wurmen. Vermoedelijk trekken zij blaadjes en zaadjes in de uitmondingen van hun ondergrondse gangenstelsel. Als afsluiting of als een deur, zeg maar. Regelmatig tref ik zo’n propje aan tussen kiezels en stenen. Volgens mij is er een druk bezig geweest. Zie de onderstaande foto’s met verdorde bladen van uitgebloeide narcissen. Ik heb namelijk geen andere verklaring voor dit tafereel:

Raadsel in de tuin2
Van bovenaf gezien
raadsel in de tuin
Heeft een wurm deze blaadjes door het gaatje getrokken van de stenen wand?

 

IJsbloemen op mijn raam

In mijn kindertijd zaten er ’s winters soms ijsbloemen aan de binnenkant van mijn slaapkamerraam. Betoverend mooie symmetrisch gevormde sterretjes verschenen wanneer het ijskoud was. Slapen deed je zonder centrale verwarming en de ramen waren van enkel glas.

Nu, zo veel jaren later, bevriest de condens op mijn ramen weer. Op zolder en aan de buitenkant deze keer. Dat schijnt normaal te zijn bij HR++ dubbelglas.

Operatie ‘Het dak op’

dak dakkapelOp het platte dak van mijn dakkapel begon dit jaar een boom te groeien. Een zaadje was er kennelijk in vruchtbare aarde gevallen. Er had zich namelijk flink wat plantaardig materiaal verzameld. Blaadjes, takjes, zaadjes. Alleen, klim het dak maar eens op als je gezegend bent met een gezonde dosis hoogtevrees.

Eerst bedacht ik een serie uitvluchten. Misschien kon het wachten tot de glazenwasser in de buurt kwam. Hij wilde vorig jaar best het dak van de schuur schoonmaken. Misschien moest ik klusjes verzamelen en een oproep op Werkspot plaatsen. Of misschien kon ik het aan de buurman vragen, die al eerder had geholpen. Maar ja, de vorige eigenaresse maakte het dak van de dakkapel zelf schoon. Dan kon ik toch niet achterblijven?

Nou, ik heb het gedaan hoor. Ik ben het dak van de dakkapel op gegaan. Jammer dat de buren er niet waren. Anders hadden ze heroïsche moment op de gevoelige plaat kunnen vastleggen.

Er is trouwens een zeer grondige voorbereiding aan voorafgegaan.

  1. Eerst heb ik mijn professionele bergklimmerstouw tevoorschijn gehaald. Dat heb ik ooit gekocht, omdat ik driehoog woonde en bij brand uit het raam wilde kunnen klimmen. Check.
  2. BergklimmerstouwDat touw heb ik deugdelijk aan de trapleuning bevestigd. Uiteraard na controle of die leuning wel echt muurvast zat. En na controle van de totale lengte. Ik bedoel, zal je net jezelf vastgesnoerd hebben, is het touw te lang en val je alsnog in de peilloze diepte te pletter. Check.
  3. Vervolgens heb ik mezelf aan een houten zolderbalk opgehesen. Want stel je voor dat ik buiten op die dakkapel zou staan en mezelf niet meer omhoog zou kunnen trekken. Ik moest eveneens nog door het dakraam kunnen klimmen. Gelukkig zijn de overburen net met vakantie. Anders hadden ze mij met dat touw gezien. En zouden ze vast denken dat ik mij wilde verhangen. Ik slaagde glansrijk voor deze gymnastiekoefening, die ik sinds de lagere school niet meer heb gedaan. Check.
  4. Daarna heb ik een vuilniszak, een bezem, een stoffer en blik en een krukje gehaald. Even heb ik nog overwogen om mijn gouden sieraden af te doen. Maar dat leek mij een tikkeltje overdreven. Wel heb ik een jasje aangetrokken. Het kan toch koud zijn op grote hoogte. En ik heb speciaal veterschoenen met een stroeve zool aangedaan. Want ik zou, mij optrekkend aan het touw, een stukje tegen het dak op moeten lopen. Check, check, check, check, check.
  5. Vervolgens heb ik de vuilniszak strak om het steeltje van de stoffer geknoopt. Want stel dat je net met veel moeite op het dak bent beland en die zak over de rand waait. Nee, ik laat niets aan het toeval over. Check.
  6. Toen alles eenmaal gereed lag, en pico bello in orde was, heb ik alle hulpmiddelen strategisch op de rand van het raam dan wel tegen het schuine dak geplaatst. Eindelijk kon ik over de rand klimmen. Maar net op dat moment suprême zag ik mijn nieuwe buurvrouw een paar huizen verderop met haar gezicht mijn kant op in haar tuin zitten. Ik was toch mooi niet van plan om mijn acrobatische toeren voor een toegestroomd publiek op te voeren. Bovendien probeer ik hier mijn waardigheid te behouden. Tenslotte is dit een dorp. Voordat je het weet doen er de vreemdste verhalen de ronde. Dus ben ik eerst nog maar even een bakkie gaan doen. Uitstelgedrag. Check.

Daarna ben ik over de rand geklommen en nu is het dak helemaal spic en span. Tadá.
(Laat mijn moeder het maar niet horen.)