Wandelen tot je conditie je terugfluit

Het is hartje zomer, zeker 28°C, en de zon schijnt ongenadig. We wandelen in een groepje over de glooiende heide van de Posbank. Er loopt een vrouw mee van 65 jaar. Ze is klein en te zwaar, maar typisch zo’n flinke meid die door blijft gaan. Hijgend loopt ze steeds verderop achteraan.

De Posbank voelt die dag als een heteluchtoven. Het zand is diep en rul; nergens schaduw. Toch moeten we wel doorgaan. Vanwege de flinke hoogteverschillen raken we zelf ook buiten adem. Onder een boom aan de rand wachten we op die vrouw. Iemand loopt even terug om haar aan te moedigen. Als ze eindelijk ons groepje bereikt, kán ze niet meer.

Dit wordt het uur van de waarheid voor haar, zo blijkt there and then. Want in de loop der jaren heeft ze steeds meer kwalen gekregen waardoor ze steeds vaker moeite heeft om de rest bij te benen. Terwijl ze altijd zo goed meekwam. Ja, zelfs voorliep op anderen. Ze deed vaak mee aan de Nijmeegse Vierdaagse. Veertig kilometer per dag marcheerde ze dan. Maar nu kan ze er niet langer omheen. Dat haar conditie niet meer is zoals vroeger. Dat ze keuzes moet maken. En daarom een paar voor haar belangrijke activiteiten moet laten gaan. Het is een hard gelag.

We zijn er ter plekke allemaal getuige van. Maar vreemd genoeg lijken we ook allemaal te denken dat het onszelf voorlopig niet overkomen zal.

Advertenties

Gesprekjes hier en daar

Station Arnhem Centraal rond 10:00 uur. Een mevrouw in een geel hesje tegen een man in dito hesje: ‘Je moet niet zo hard denken. Dat doet pijn aan je hersenen.’

Op een dijkje van de Grebbelinie nabij Veenendaal. Een wandelaarster vertelt dat haar 93-jarige moeder overleed vorig jaar. Ze was dementerend. Of haar moeder nog heldere momenten had, vraag ik haar. ‘Ja, soms wel. Ze zei weleens dat ze er genoeg van had. Maar op andere momenten vond ze het toch jammer dat haar einde naderde. Want als ze dood was en daar boven zat’, vertelt haar dochter, wijzend naar de hemel, ‘dan miste ze de vette roddels hier beneden.’

In het bezoekerscentrum nabij het spoor. Wandelgids tegen de serveerster: ‘Deze cappuccino is niet goed.’ Hij toont dat het lepeltje zinkt. Ze moet maar een nieuwe brengen. Ter verklaring tegen de groep: ‘Ik zeg tegenwoordig waar het op staat. Vroeger deed ik dat niet en accepteerde ik alles. Toen was ik erg verlegen.’ Ik merk op dat hij me doet denken aan een kettingroker die de sigaretten heeft afgezworen. (Die schieten soms ook compleet door in hun afkeer jegens rokers.) Hem ontgaat het verband. Is botheid = overschreeuwde verlegenheid?

Rhenen. De aansluitende bus rijdt voor mijn neus weg. Ik ben moe en pissig. Er loopt op deze terugrit van alles mis door een verkeerd advies. En nu dit weer. In het hokje bij de halte zit een jonge man met een kreukelig tasje. Hij lijkt enigszins verward. Met oortjes in tuurt hij strak naar zijn smartphone. Na een kwartier gedrentel ga ik toch naast hem zitten. Hij speelt een game. Dan wendt hij zich tot mij, oortjes nog in zijn oren. Zacht pratend legt hij me een ingewikkelde kwestie uit de Bijbel voor. Of ik hem raad kan geven.

Door framing mis je leuke dingen

Stephan Sanders rept in de Volkskrant over een identiteitenstrijd. Termen als ‘wit’ en ‘blank’ staan ter discussie, net zoals voormalige helden van de VOC. Stel, je schrijft dat een dronken Belgische man een Nederlandse vrouw aanrijdt. Dan is de vermelding van nationaliteiten overbodig. Benoem je ze toch, dan doe je aan framing. Daarmee plaats je alle Belgen in het verdachtenbankje. Vergis je niet. Met framing doen we zowel de ander als onszelf tekort.

Overlevingsstrategie
Dat we een aantal zaken en termen grondig herzien, prima. Maar blijf even nadenken. Framing is van oorsprong een overlevingsstrategie. We schatten mensen gelijk in bij een eerste kennismaking: te vertrouwen of niet. Daarna vormen we ons snel een beeld van iemand: vriendelijk, dominant, passief, actief, enzovoort. Dan is dat alvast duidelijk en kunnen we verder. Een probleem is wel dat oude indrukken hardnekkig blijven hangen. Zelfs al wijzen latere ervaringen op tegengestelde eigenschappen.

Verrassing 1
Deze week had ik ontmoetingen met diverse onbekenden. Stuk voor stuk verrasten ze mij, bij nader inzien. Een gespierde militair bijvoorbeeld, met zo’n crew cut kapsel. Wat blijkt? Hij doet er ook ICT-werk voor schoonheidsspecialisten bij. Of een man uit de bouwsector. Die verzucht dat het zo’n ouderwets mannenbolwerk is. Hij wil graag parttime werken, maar daar begint zijn werkgever niet aan.

Indoctrinatie
We zijn allemaal geïndoctrineerd door opvoeding, opleiding en oude ervaringen. Dat ‘allemaal’ betreft hier ook de andere partij. Stephan Sanders heeft een kleurtje. Voor hem is de zwart/wit-kwestie mogelijk wat gevoeliger dan voor mij. Maar ik heb in het buitenland evengoed met framing te maken. Vooral in armere landen. Hoe donkerder de bevolking, hoe sterker het speelt.

Beeldvorming
In Afrika is het moeilijk om met lokale inwoners gelijkwaardige vriendschappen op te bouwen. Tenzij ze een universitaire opleiding hebben genoten. Want ik ben wit, of blank zo je wilt. Een muzungu. De eerste barrière waar ik doorheen moet, is het beeld van een wandelende portemonnee. Het tweede beeld dat ik soms moet doorbreken, is dat ik geen mistress ben. In de betekenis van bazin. Alsof je het als blanke automatisch beter weet dan zij, en dus de leiding moet nemen. Geen van deze beelden doen recht aan mij. In Nederland poets ik gewoon zelf de wc.

White woman privilege
Let wel, er zitten voordelen aan een white woman privilege. Deuren gaan letterlijk voor je open, terwijl die voor lokale inwoners gesloten blijven. Zoals de deuren naar een bar en het zwembad van een vijfsterrenhotel waar je zelf niet verblijft. Dat is wrang, maar nog tamelijk onschuldig. Het wordt een probleem als de plaatselijke bevolking hierdoor naast kansen grijpt. Zoals wanneer mensen geen nuttig netwerk kunnen opbouwen, puur door wie of wat ze zijn. Toch kent ook ons land barrières. Ik kom evenmin zomaar bij een Rotary Club binnen.

Verrassing 2
Het kan anders. Neem deze spontane ontmoeting in het Arnhemse alternatieve circuit. Een 18-jarige jongen met Antilliaanse gelaatstrekken zit aan tafel met een 35-jarige Marokkaan. Ze eten en ze drinken allebei (alcoholvrij?) bier. Ik ken hen niet en schuif met een vol bord aan. We praten over wat we doen. Daarbij denk ik aan werk, maar mogelijk hebben zij het over hobby’s. Dat blijft in het midden. De Antilliaan is voetballer. De Berber is hiphop danser. Als je zonder nadere omschrijving foto’s van deze twee krijgt, wie zie je dan aan voor hiphopper?

Meisjes moeten aardig zijn

Tot in de jaren zestig werden meisjes opgevoed met het idee dat ze aardig moeten zijn. Ook ik kreeg die boodschap in mijn jeugd mee. Mijn moeder was van een generatie vrouwen die standaard trouwden en kinderen kregen. Dan moest je wel eerst een man zover krijgen. Dus was het niet handig als je steeds bits van je afbeet. Mijn ouders hebben echt hun best gedaan. Maar volgens mij was dat idee over aardig zijn een kardinale misser. Ik heb er nu soms nog last van. (Grapje.)

Een leeftijdgenoot en voormalige collega die managementassistente was, zat er helemaal niet mee. We werkten bij een organisatie voor minderbedeelden in de samenleving. Iemand vroeg haar eens wat voor hem te halen, terwijl hij dat ook zelf kon doen. ‘Heb je polio of zo!?’, was haar reactie. Nee, dat was niet fraai. Maar je liet het wel uit je hoofd om haar te storen voor iets wat je zelf kon uitvoeren. Gisteren dacht ik met weemoed aan haar terug, na het lezen van een reactie op ‘Google vertaling op je blog’.

Onlangs zag ik een artikel over de verschillende rollen bij pestgedrag. Je hebt de pester, de assistent, de meeloper, de buitenstaander, de verdediger, en het slachtoffer. In de bloggers community is sprake van groepsvorming. Daarbij speelt ook wie populair is en wie niet. Sommigen beginnen heel schuchter. Maar worden zij populairder, dan permitteren ze zich steeds meer tegenover anderen. Ik zie het allemaal voorbijkomen. En denk er het mijne van.

Je zou verwachten dat mensen die aardig gevonden willen worden voor pesters een makkelijk doelwit zijn. Dat ligt eraan. Op de middelbare school ging ik onder andere om met een klasgenootje dat tamelijk populair was. Mijn beste vriendin zat ook op die school, maar in een hogere klas. We kwamen elkaar zelden tegen, want onze roosters weken af. Totdat ze werden aangepast en we gelijktijdig pauze kregen. Het populaire meisje kon niet hebben dat wij elkaar ineens vaker zagen.

Dus begon het getreiter. Ik probeerde het te negeren. Ik liet geen emoties zien en zei niets. In feite wist ik er geen raad mee. Tot ik eens flink van me afbeet met een opmerking over haar vader. Een succesvolle zakenman met wie zij steeds dweepte en van wie ze alles kreeg. Onvermoed had ik een pijnlijke tekortkoming doorzien en benoemd. Daarna was het pesten meteen voorgoed over.

Nog altijd prefereer ik vriendelijkheid en subtiliteit boven botheid. Toch, assertief zeggen wat je denkt kan heel heilzaam zijn.

Hollanders in contact met buitenlanders

Een bekende vertelt over haar kerstvakantie in Marokko. Waar ze is geweest, wat ze heeft gezien. Ter plekke wil ze meer weten wanneer het verhaal van de gids oppervlakkig blijft. ‘Hij was heel lovend over de koning.’ Dus stapt ze op de beste man af en stelt hem een kritische vraag over het koningshuis. ‘Het viel me op dat hij nogal schichtig om zich heen keek.’

Wat mij nog altijd choqueert, is hoe ontzettend achterlijk landgenoten zich in het buitenland kunnen gedragen. Hoe meer ik over landen weet, hoe erger dat wordt. Kennelijk denken ze dat ze mensen overal ter wereld kunnen benaderen zoals ze dat in Amsterdam doen. Alsof die stad maatgevend is. En alsof er geen schat aan informatie beschikbaar is over andere culturen. Je kan je toch verdiepen in het volk waarbij je op vakantie gaat? Dat verwachten we ook van de immigranten die hier komen wonen.

Een zeldzaam reisprogramma waarbij ik geen tenenkrommende ervaringen krijg, is dat van Ruben Terlou. Hij is de presentator van de VPRO-documentaireserie ‘Langs de oevers van de Yangtze’. Komende zondag start zijn nieuwe serie ‘Door het hart van China’. Ruben spreekt vloeiend Chinees. Maar voor elk specifieke onderwerp in de serie vergrootte hij zijn vocabulaire. Zodat de plaatselijke bevolking merkt dat hij weet waarover hij praat en hem serieus neemt. Zo grondig en inlevend gaat hij te werk.

Interculturele communicatie is een mijnenveld. Dat weet ik al sinds mijn reisperiode en eerste werkdagen in het buitenland. We gedragen ons doorgaans als een kudde olifanten in een porseleinkast. Of erger, want olifanten zijn behoedzame dieren. We doen het overigens niet expres. We realiseren het ons vaak niet eens. Totdat we zien dat ‘de ander’ echt duidelijke signalen van ongemak afgeeft. Maar voordat hij dat doet, zijn we al over heel wat grenzen heen gewalst. Die culturele grenzen beginnen in België, Duitsland en Engeland. Of misschien al buiten de Randstad.

Bewust kinderloos

Eind jaren tachtig sprak ik een collega over haar plannen voor het leven. Ze was begin twintig, afgestudeerd en tamelijk evenwichtig. Wat ze in haar carrière wilde bereiken, ben ik vergeten, maar een ding is mij goed bijgebleven. Kinderen wou ze niet. Ze had haar huisarts al gevraagd om sterilisatie. Hij wilde daar voorlopig niet aan meewerken. Want, zo vond hij, ze was nog jong. Wat als ze zich later zou bedenken? Maar zij was heel stellig in haar keuze. En ze wilde geen ander voorbehoedsmiddel. Daarom kon ze amper begrip opbrengen voor zijn visie.

Dertig jaar en talloze ontmoetingen later is zij nog altijd een zeldzaamheid. Zeker tot in de jaren negentig was willen trouwen en kinderen krijgen de norm. Inmiddels ken ik wat meer vrouwen zonder kinderen. Voor een deel is dat ongewenst. Bij twee andere vijftigers betreft het een bewuste keuze. Ik betwijfel of ze mij dat zo openlijk hadden verteld als ik zelf moeder was geweest. Misschien heb ik het mis, maar geen kinderen wensen zit in de taboesfeer.

Wat ik veel erger vind, is dat talloze vrouwen ongewenst kinderen hebben gekregen. Vooral bij de generatie van mijn moeder kom je ze nog weleens tegen. Of liever, ik ontmoet hun dochters. Veel vijftigers moeten na baanverlies eerst in het reine komen met hun verleden. Onlangs hoorde ik weer een verhaal.

Over een nu negentig jarige moeder, die na haar trouwen zeven kinderen kreeg. Haar aspiraties voor een artistieke carrière moest ze vergeten. Vervolgens maakte ze thuis nogal nadrukkelijk de dienst uit. Waarna haar dochter al jong in therapie ging. En daarmee doorgaat tot in het heden. Deze dochter schiet in een kramp zodra de aandacht op haar wordt gevestigd. Dan wiebelt ze op haar stoel en wringt ze met haar handen. Zelfs in gesprek met bekenden durft ze haar mond nauwelijks open te doen. Bang dat ze, zoals ze het letterlijk zegt, ‘weer lastig is’. Terwijl ze er zo mag zijn.

Twee vrouwen, beiden slachtoffer van de tijd en een keuze die ze nooit kregen.

Behoefte aan erkenning en waardering

‘Is dat belangrijk voor je?’, vraag ik wanneer het woord ‘erkenning’ valt. Dat blijkt inderdaad het geval. Ze wil op haar bescheiden manier iets doen voor mensen; een rol vervullen in de maatschappij. Zoals ze ook heeft gedaan tijdens haar succesvolle loopbaan. Maar die is sinds een paar jaar voorbij. ‘En’, ze zegt het er letterlijk bij: ‘ik wil dat anderen het zien en mijn bijdrage waarderen. Dat ze dit uitspreken en mij complimenteren.’ Als het er echt toe doet, heeft ze zelf moeite met complimentjes uitdelen. Haar vader zaliger was daar evenmin royaal mee.

Misschien is er een verband met een ander. Iemand die als jongste dochter in een gezin opgroeit met verder alleen broers. Hun moeder wil het meisje niet als vanzelfsprekend met huishoudelijk werk opzadelen. Dus wordt de dochter van taken vrijgesteld, terwijl de moeder het wel erg druk heeft. Zou je je erdoor overbodig gaan voelen? Alsof je bestaan er wezenlijk niet toe doet. Ben je ook al geen uitblinker in het een of ander, dat kan je jezelf slechts een zelfbedachte rol toedelen. Zodat je toch belangrijk bent en wordt gezien.

Nog enkele voorbeelden. Een kind dat precies doet wat haar vader wil, ook al heeft ze allang een flitsende carrière opgebouwd. Of iemand die van een concullega krijgt toegebeten dat ze iets vast niet kan. Waarna ze denkt ‘Oh nee, kan ik dat niet?’ Om vervolgens vastberaden alles op alles te zetten en wél dat hoog gegrepen diploma behaalt. De behoefte aan erkenning kan ons ver brengen. En ver laten zinken. Want iemand die op negatieve wijze aandacht vraagt, wil evengoed worden gezien.

De persoon uit het eerste voorbeeld is uitermate kwetsbaar. Zij is voor haar levensgeluk volkomen afhankelijk van anderen. Wat nu als je erkenning bij jezelf kan vinden? Gewoon, door iets te doen waar je met tevredenheid aan terug kan denken. Niet omdat een ander je complimenteert. Maar omdat je zelf in staat bent om te erkennen dat het goed is zo. Dat lijkt mij veel gezonder. Maar ik heb dan ook absoluut niets met ‘jezelf wegcijferen’ en ander calvinistisch gedoe.