Kluslijst – Van die dagen

Vandaag wil ik de meeste klusjes van mijn lijst kunnen strepen. Sommige klussen zijn zo gedaan. Bij anderen zit ik er al tijden tegen aan te hikken. Juist daarom pak ik ze nu aan. Je kan zoiets op verschillende manieren benaderen. Eerst de grote en vervelende klussen doen. Of eerst de leuke klusjes en dan de klussen die je steeds uitstelt. Werkt niets, dan rest alleen nog deze optie: jezelf dwingen de lijst van boven naar beneden af te werken. Zonder uitzondering.

Soms kan ik het beste eenvoudig beginnen. Vooral als ik nog geen koffie heb gehad. Moet ik scherp zijn of mezelf moed inspreken, dan werk ik eerst flink wat cafeïne naar binnen.

Deze keer moet het op de ‘jezelf aan je haren erbij slepen’- manier. Anders verzin ik weer nieuwe smoezen en uitvluchten. Want er zit nogal een K-klus tussen. Het SSL-certificaat van mijn zakelijke website moet worden vervangen door iets vergelijkbaars. Vorig jaar kostte me dat een half weekend. Maar het certificaat verloopt binnenkort, dus de tijd dringt.

Afijn, ik ga aan de slag. Eerste klusje gedaan, streep erdoor. Volgende klus gedaan, streep erdoor. Enzovoort. Tot die ene klus. Wat denk je? Gaat het zomaar als een tierelier! Klus gedaan, klaar. Ineens zijn alle problemen van de lijst verdwenen.

Jemig. Wat moet ik nu verder nog met mijn leven aan?

Advertenties

Een bijna lege shampoofles

Columniste Esther Gerritsen weet het absurde van haar denkwijze haarfijn te fileren. Ik heb niet de illusie dat ik aan haar niveau kan tippen, maar soms is mijn gedachtegang ook wat vreemd. Neem nu een bijna lege shampoofles. Die kan mij hoogst irriteren.

Wanneer ik een nieuwe fles shampoo koop, ben ik er blij mee. Hij is nog helemaal vol en onaangetast. Voorlopig verdwijnt hij in de toiletkast, tot de in gebruik zijnde fles op is. Mooi. Nu is er voldoende voorraad in huis. Want het is wel zo prettig als je niet misgrijpt. Ik hou de voorraad daarom nauwlettend bij.

Op een gegeven moment is de nieuwe fles aan de beurt. Hij voelt zwaar aan en is goed gevuld. Beetje bij beetje gaat er steeds wat shampoo uit. Eerst is de fles nog voor driekwart vol. Da’s prettig. Daarna daalt het shampoopeil tot halverwege. Mwah. Dat begint iets halfslachtig te krijgen. Halfvol / halfleeg. Wat is het nu?

Vervolgens breekt er een kritiek moment aan waarop die fles ineens echt minder aantrekkelijk wordt. Bijna leeg. Het staat zo armoedig. Je moet dan steeds opletten of er nog genoeg in zit voor de volgende wasbeurt. Je kan natuurlijk alvast een nieuwe fles klaarzetten naast de bijna lege. Maar dat wil ik niet. Het is hier steeds één fles tegelijk en meer niet.

Soms kom ik in huizen met een assortiment shampooflessen in alle stadia van gevuldheid. Daar kan ik niet tegen. Ik zou dan al die restjes in een fles bij elkaar kieperen. Dat staat veel gezelliger in de badkamer.

Want zo’n allegaartje roept associaties op met tekorten en slonzigheid. Een bijna lege plastic shampoofles heeft wat armetierigs. Je ziet dan al iets doorschemeren van het eindstadium. Waarin die goedkope fles zijn laatste waarde heeft verloren. Ja, feitelijk staat er gewoon afval op de plank, wanneer een shampoofles voor ruim driekwart leeg is.

Daarom smijt ik zo’n fles met zo’n suf restje het liefste meteen weg. Maar dat doe ik niet. Dat is nu juist de ellende. Vandaag ook weer. De shampoofles staat op de dop omgekeerd te wachten op de volgende keer. Zodat ‘ie met een laatste kneep direct leeg is. En dat plastic ding dan eindelijk bij het afval kan. Wat bij aanschaf toch al zijn bestemming was. Weg ermee.

Zo, zijn we dan nu tevreden?

Goed tot na de dood

Mijn bestelling hand- en theedoeken van Bunzlau Castle is binnen. Ik wilde iets moois, want die doeken hangen goed zichtbaar in de keuken. De oude worden vaal, maar blijven onverslijtbaar. Ik heb ze al zo’n 25 jaar. Stel nu dat de nieuwe doeken even lang meegaan. Dan ben ik tegen die tijd al bijna tachtig jaar. Misschien is dit wel het laatste nieuwe keukenlinnengoed dat hier komt.

Ho, wacht even. Prompt beschouw ik alle huisraad met andere ogen. Doe dat zelf ook eens in je eigen woning. Wat zal daarvan nog aanwezig zijn indien je minimaal tachtig wordt?

Mijn oudste spullen doorstonden al meerdere opruimsessies. Die blijven vast wel bij me tot het einde. In theorie tenminste, want wie kan er 25 jaar of langer in de toekomst kijken? Afijn, koop ik nieuw linnengoed; denk ik meteen aan mijn eigen sterfelijkheid. En de mevrouw van de webwinkel had er nog wel zo’n feestelijk pakketje van gemaakt.

(25-01-2017. Een meegestuurd geurkaarsje brandt vandaag voor mijn vader.)

En dan nu God zelf

Het is dat Raam Open ergens in de diepste krochten van internet zit weggestopt. En het is dat hier nauwelijks publiek komt. Anders zou ik mijn vingers er niet aan branden. Het onderwerp ‘God’ is nu eenmaal hypergevoelig. Ik vraag me zelfs af of ik God wel ‘onderwerp’ mag noemen. Misschien is dat al ketterse taal. Aanstonds word ik nog gelyncht. Kortom, dit wordt dus de dood of de gladiolen. We gaan ervoor.

Ik heb een complexe relatie met God. Als Hij/Zij/Het bestaat, tenminste. (Vanaf hier: Hij. En nee, ik wil nu geen opmerkingen van feministen.) Je gelooft namelijk in God of je gelooft niet in Hem. Volgens anderen dan. Kijk maar naar wat er gebeurt wanneer Bertie onder De hand van God schrijft: ‘Inderdaad: als er een god ìs.’ Waterix reageert zonder enige twijfel of terughoudendheid: ‘Dat moet wel, het kán niet anders.’ 

‘Tjonge,’ denk ik, ‘we hebben een enthousiasteling onder ons.’ Althans, dat hoop ik maar. Want ik heb helaas ook ervaring met mensen die Absoluut Zeker Weten Dat God Bestaat! Ik zat er eens de hele vliegtijd van Nairobi naar Schiphol naast. Een reborn Amerikaanse. Halleluja! Praise the Lord! (minimaal vijftig keer) en ga zo maar door. Ze hield niet op. De ellende met die KLM-vluchten vanuit Afrika is dat ze altijd bomvol zitten. Van stoel wisselen kon ik dus wel vergeten.

Ikzelf ben niet altijd zo zeker van mijn zaak. Nou ja, ik heb ook meningen en overtuigingen. Een klein aantal hiervan is echt rotsvast. Iemand tegen zijn zin doden, bijvoorbeeld, is onaardig. Ik heb genoeg geleerd om te beseffen hoe zelden we iets volledig doorzien. Het is maar net vanuit welk perspectief je kijkt, of vanuit welke periode. En hoe vaak is onze informatie compleet? Geef mij dan liever exacte vakken en gefundeerde wetenschap. Daarbij is minder ruimte voor discussie.

Door mensen vormgegeven religie heeft vrijwel niets met God te maken. In mijn ogen is God een ongrijpbare, fluïde entiteit. ‘Zie je nu wel,’ zullen de religieuzen onder ons nu tevreden vaststellen, ‘ze benoemt Hem zelf.’ Maar ik weet niet eens of ik dat doe, omdat Zijn bestaan mij ooit als kind is aangeleerd. Of omdat ik werkelijk in God geloof. Ik kan slechts interpreteren wat ik waarneem met de woordenschat en het begrippenkader dat ik heb.

Wanneer het om God gaat, zijn gelovige mensen soms toch zo hoogmoedig. Alsof zij zelf de Alwetende zijn.

Dus Denk Nu Zeer Goed Na Voordat Je Een Reactie Schrijft! (Ik zou me er niet aan wagen.)

De hand van God

Deze week verdiepte ik mij in klimaatverandering en zag het plotseling. De rol van het heelal. Die niet te bevatten tijdlijn daarvan. Wij, nietige mensjes, blijven hier slechts een seconde of anderhalf. Onze invloed is nagenoeg verwaarloosbaar. Toch denken we dat we de hand van God zijn. Of dat we Zijn hand door een kunsthand kunnen vervangen. Want sommige mensen accepteren niet dat wij zullen verdwijnen.

Heb je ooit in een natuurgebied bij heldere nacht naar de hemel gekeken, dan weet je hoe imposant de Melkweg is. En dan besef je hoe weinig wij ervan begrijpen. De mensheid zocht millennia lang naar verklaringen voor tal van fenomenen. Elk volk ontwikkelde zijn eigen theorieën, vaak vervat in een religie. Zoals over het ontstaan van de wereld. De wetenschap komt ook met antwoorden, maar veel daarvan roepen weer nieuwe vragen op.

Onze lichamen kunnen de komende natuurlijke klimaatschommelingen niet doorstaan. En uiteindelijk gaat de aarde toch ten onder. Wellicht lukt het een select groepje mensen om op een andere planeet verder te leven. Vooralsnog is er enorme onzekerheid over zo’n bestaan. Maar onze gedachten kunnen we wel overdragen.

Onder gunstige omstandigheden evolueert onze kennis steeds verder. Wellicht worden we ooit alwetend. Alleen moeten we als soort dan nog iets langer voortbestaan. Het is niet handig dat we de aarde zo vergiftigen en uitputten. Want de alternatieven zijn nog niet klaar.

Een selecte groep ICT’ers werkt aan kunstmatige intelligentie. Mijn indruk is dat ze via de kennis die zij aan robots overdragen, werken aan hun eigen eeuwige leven. Misschien hopen ze deze robots zoveel intelligentie mee te geven, dat die ooit in staat zijn om de grootste klimaatschommelingen op aarde te doorstaan. Of dat ze vanaf de aarde zelfstandig in het heelal kunnen uitzwermen.

Westerlingen maken onderscheid tussen geloof en wetenschap. Dat begon al ergens bij Darwin. Als kind ben ik katholiek opgevoed. Later bezocht ik diverse werelddelen en zag ik mensen met andere religies. Waaronder het animisme van natuurvolkeren. Dat doet wat met je. Je gaat zaken opnieuw beschouwen, vergelijken, combineren en soms echt anders zien.

Zo kwam ik deze week uit bij het hellevuur van Jeroen Bosch, toen ik zag wat de aarde uiteindelijk te wachten staat. En nu vraag ik mij af hoe wij ooit bij dat hellevuur zijn beland. Was dat wel een Bijbels verhaal? Of is het afkomstig van een veel oudere visie. Van een animistisch volk, bijvoorbeeld. Dat naar de sterren keek, supernova’s zag en toen vermoedde dat de aarde iets vergelijkbaars te wachten staat.

Wie zegt dat ze vroeger overal dachten dat de aarde plat was? Wij waren zo stom. Maar de Aboriginals in Australië hadden misschien een heel ander idee. Nu kunnen we ze het niet meer vragen. Want sinds de blanken daar kwamen, is hun op mondelinge overdracht gebaseerde cultuur grotendeels vernietigd.

Ik zie een overeenkomst tussen het christelijke geloof en het animisme. Althans, als er een God is, dan wil ik wel aannemen dat die alom aanwezig is. Niet letterlijk, maar in wat er is. Overal. Er is een bewijs voor het bestaan van de hand van God. Namelijk in de beelden van een werkelijk onbevattelijke schoonheid in Govert Schilling’s boek: Schitterend heelal.

Mijn geheugen is weer bezig

Aan het begin van de avond doe ik mijn lenzen uit en zet ik een bril op. Ik was mijn handen, doe de vloeistof in het houdertje, maak de lenzen schoon en drop ze elk apart in hun eigen holletje. Eentje links, eentje rechts. Ondertussen dwalen mijn gedachten af naar de bijna afgelopen dag. Dat gebeurt vaker wanneer ik veel ervaringen opdoe. Kennelijk moeten die worden verwerkt in de badkamer.

Als ik daar een paar uur later terugkom, liggen de dekseltjes los naast de lenzenhouder. Oh nee hè, toch niet weer? Jawel hoor, daar liggen mijn maandlenzen in het afvoerputje. Half verdroogd en verschrompeld tot een vreemde kronkel. Heb ik ze eerst netjes in het houdertje gedaan en vervolgens achteloos weggespoeld.

Vreemd genoeg ben ik zelden iets kwijt, ook al raken mijn gedachten snel afgeleid. Ooit liet ik een dag lang een sleutelbos in een deur hangen waar de hele buurt langs kwam. En in Australië stapte ik na een boottocht voor de terugweg eens in het verkeerde toeristenbusje. De gezichten van de passagiers kwamen mij namelijk bekend voor. En ze keken glimlachend naar mij om. Alleen hadden we slechts dezelfde boot gedeeld. Dat busje was helemaal niet van mijn groep. Het kwam in beide gevallen goed.

Toch, waar ik mij zelden in vergis, is in het beeld dat over een tijdperk heerst. In mijn beleving was alles in de tweede helft van de jaren zeventig oerlelijk. Lelijke auto’s, lelijke kleuren, lelijke gebouwen, lelijke meubels, lelijke kleding, lelijke tanden. En dan die kapsels vol plakkerige hairspray met van die stormvaste nepkrullen. Ergens ligt nog de bijbehorende krultang.

Maar smaken verschillen. Want wat staat er tot mijn verbazing bij foto’s van het ranzige leven op de Amsterdamse wallen in de jaren zeventig? ‘Wat zag het uitgaan er vroeger toch mooi uit, eigenlijk.’ (De Volkskrant, 13 januari 2018.) Moet je het gebit van die gast in de grote foto eens bekijken. En dan die drag queen make-up waar iedereen toen mee liep. Nee, tegenwoordig is alles veel beter. Alleen mijn geheugen niet.

Uitvaart in Brabant

Op een uitgesproken stormachtige dag in het uitvaartcentrum van Made. Een plaatsnaam uit een grijs verleden. Google Maps toont andere illustere namen die horen bij lang geleden: Raamsdonksveer, Stampersgat en Lage Zwaluwe. Vlak onder de grote rivieren in het Brabantse land. Het water is er altijd nabij.

Hoe begint zoiets? Een vakantie in Italië. Gevolgd door logeerpartijen in de huizen van onze ouders. Hooguit twee keer per jaar; het was zo ver reizen. Dat vonden we toen, tenminste, zo’n 35 jaar geleden. We waren bijna volwassen. Tussendoor schreven we talloze brieven, vaak van wel drie kantjes of meer. Over uitgaan, vriendjes en vriendschappen. Over rijlessen, werk en hobby’s. Over de hilarische dingen die we meemaakten. En over de volgende vakanties. Daar draaide het om in ons leven.

En dan zit je naast een collega-vrijwilliger van haar overleden vader. Achter rijen grijze hoofden. Wachtend op wat komen gaat. Buiten woedt de zware westerstorm. Kale takken zwiepen naast het raam. Het omringende land ligt onaangeroerd op de achtergrond en trekt zich niets aan van de emoties binnen. Op de radio zegt de nieuwslezer achteraf: ‘In de Biesbosch staat het water zo hoog dat de dieren er last van ondervinden.’ Als ware het een echo. Want haar vader heeft dat andere hoge water daar nog meegemaakt, in 1953.

Drie kinderen van in de vijftig volgen de kist. Maar ik zie de jonge volwassenen van toen. En alsof we niet allemaal een hele levensreis hebben gemaakt, verschijnen nu ook hun ouders. In verhalen en op celluloid. Precies zoals ik me hen kan herinneren, 35 jaar geleden.