Dankzij plankgas twee minuten eerder terug

Na een wandeling reis ik vanuit Putten naar station Ede-Wageningen terug. Er rijdt een bus. Nummer 107 van Syntus vertrekt om 15.34 uur. Een uur en twee minuten later komen we op onze bestemming aan. Althans, volgens de dienstregeling. De chauffeur die ik tref, heeft daar blijkbaar geen boodschap aan. Wanneer ik instap, zegt hij hard ‘Hallo’. Ik check in en groet iets minder luid terug. De – weinige – medepassagiers begroet hij op identieke manier. Het is een detail.

We gaan op pad. Vrijwel direct geeft hij plankgas. Ik hoor de motor van de bus gieren. Dat heb je tegenwoordig bij bepaalde types. Wellicht is dat normaal, maar het klinkt zo onrustig. Wat evenmin kalmerend werkt, is hoe hij remt. Hij heeft kennelijk nooit het ‘nieuwe rijden’ aangeleerd.

Optrekken doet hij keihard; rijden ook. Pas wanneer het echt niet anders kan, trapt hij bovenop de rem. Ik klap daarbij steeds een stukje voorover. Gelukkig zit ik relatief veilig achter glas. Bij gebrek aan gordel moet je toch wat. En het moet gezegd, voor oude dametjes wacht hij rustig.

Kan je met een bus eigenlijk overal even hard rijden als met een personenauto? Ik bedoel: heeft zo’n ding geen langere remweg? De kapitein van een mammoettanker moet toch ook eerder remmen dan de kapitein van een roeiboot?

Ondertussen scheurt de chauffeur maar door. Zeer strak sturend door bochten en rond opdoemende verhogingen in middenbermen. Het gaat allemaal net. De bomen naast het asfalt flitsen langs.

Als je er niet gerust op bent, duurt een uur lang. Een groot deel van de tijd ben ik de enige passagier. Zodra er nieuwe mensen instappen, volgt het begroetingsritueel. Het zijn jongeren, verdiept in social media op hun smartphone. Uit niets blijkt dat ze merken hoe hard we gaan. Is het hun onbevangenheid of gaat dit om een verschil in perceptie? Misschien heb ik te vaak dollemansritten meegemaakt. We komen exact twee minuten voor tijd aan.

Uren later lig ik in bed en ‘voel’ ik het gejakker nog.

Gevaar op de Veluwe

Vroeger waren de dichte bossen op de Veluwe berucht. Het wemelde er van de struikrovers. Als handelsreiziger maakte je de doorsteek liever niet alleen. Je wachtte in een herberg aan de veilige rand van het duistere bos op lotgenoten. Vervolgens reisde je samen zo rap mogelijk naar de overkant. Vriendin F en ik doen eigenlijk nogal onbezonnen op het Veluws Zwerfpad. En het begon toch zo mooi vandaag.

Na een nacht vol donder, bliksem en hoosbuien gaan wij op pad. Het is broeierig warm. Her en der hangt nevel boven het land. Onze route voert langs hoge maisvelden, stille boerenerven en verlaten bospaden. Soms moeten we naar de kant voor een grommende tractor. Als dit Amerika was, liep hier vast iemand rond met een sinister plan.

Bij Garderen leidt het spoor een donker beukenbos in over een hoge wal. Het lager gelegen terrein werkt beelden op uit de prehistorie. Her en der liggen omgevallen en half vergane bomen. Op open plekken zweeft een witte waas. Het is er drassig en tropisch klam. Door de hevige regenval hangt er een geur van rottend blad.

De omgevallen beuken verbazen ons wel wat. Ze liggen alle kanten op. Kennelijk zijn het geen slachtoffers van een enkele storm. Echt dik zijn ze evenmin. Ze zijn niet neergestort vanwege hun ouderdom. Toch vertonen ze geen zaagsporen. Waardoor zijn ze dan wel geveld? We komen er niet uit en wandelen verder.

Later pauzeren we ergens op een bankje. Heel vaag horen we verkeer, maar verder is het uitzonderlijk stil. Totdat er links van ons plotseling groot rumoer ontstaat. Zijn het geweerschoten? Of is het geknal van vuurwerk? Dan horen we veel gekraak en geraas. Er stort iets zwaars in stukken neer. We beseffen het gelijk. Dat moet er een zijn.

En ja hoor, daar ligt ‘ie dan, wat verderop. Precies over ons pad heen neergestort. Een beuk met zijn kruin nog vol groen blad. Stel dat we net een minuutje eerder waren opgestapt? Ik bedoel maar: op de Veluwe loert het gevaar nog overal.

 

Neem foto’s van je eigen woonplaats (voordat het te laat is)

Tijdens een feest, vakantie of dagje uit maken we graag foto’s. Maar vreemd genoeg zien we onze eigen woonplaats zelden als fotogeniek onderwerp. De meesten van ons nemen de vertrouwde omgeving voor lief. Pas als onze plaats of straat op het journaal komt, hebben we er oog voor. In het beeldverhaal van mijn leven zitten daarom hele grote gaten.

Op een paar plekken in de wereld heb ik meerdere maanden doorgebracht. Er waren in die tijd nog geen digitale apparaten. Ik kocht rolletjes van 24 of 36 en was er, achteraf gezien, veel te zuinig mee. Nu heb ik vrijwel geen foto’s van Perth in Australië, waar ik toch vier maanden doorbracht. Van een dorpje in een woestijn bezit ik hooguit tien plaatjes. Terwijl ik daar een half jaar heb gewoond.

Nairobi in Kenia is een ander geval. Daar had ik heel graag foto’s willen nemen. Als blanke viel ik echter al genoeg op. Dan ga je in een doorsnee woonwijk niet ook nog eens de toerist uithangen. Ik heb meer foto’s van groot wild, dan van het alledaagse stadsleven. Als je ze ziet, denk je dat ik continu op safari was. Terwijl ik toch de meeste tijd op kantoor doorbracht. Echt waar.

Montpellier is de enige tijdelijke woonplaats waar ik welbewust beelden uit het dagelijkse leven heb vastgelegd. En Leiden ben ik domweg vergeten. Erger: van het dorp uit mijn jeugd heb ik niet één foto die verder reikt dan de achtertuin van ons ouderlijke huis. Na mijn vaders overlijden kwamen er wat oude foto’s van een straatfeest tevoorschijn. Maar die tellen niet, want toen verbleef ik in Australië. Inmiddels is het dorp veranderd. Nu kan ik het alleen nog met de Leidse binnenstad goedmaken, als ik snel ben.

Daarom ben ik voor de zekerheid al aan Arnhem begonnen.

Feestaardvarken ArnhemFeestaardvarken met muts

Weelderige stilte en weldadige rust

Sinds vorige week staat het huis van mijn buren te koop. De buurman kondigde het al een poosje geleden aan. Dat was schrikken. Toen ik hier kwam wonen, kon ik namelijk slechts hopen dat het stiller zou zijn dan waar ik vandaan kwam. En met deze buren trof ik het.

Ik besef maar al te goed wat een luxe stilte in ons land is. Al tijdens de eerste nacht, na alle hectiek van de verhuizing, overviel mij de weldadige rust. Ook overdag is het hier onvoorstelbaar stil. Als ik geen muziek op zet, hoor ik binnen vrijwel niets. Nu ja, de merel die buiten fluit. Dat is het dan. En eens in het kwartier passeert er een auto.

In de tuin hoor ik wat meer geluiden. Een hond, die af en toe aanslaat. Een hongerig pasgeboren meisje, drie huizen verderop. En op vrijdagmiddag een paar keuvelende mensen in hun achtertuin, onderbroken door een lachsalvo. In het weekend hoor je wat meer rumoer, als veel mensen thuis zijn. Maar dit alles is niets vergeleken bij de onrust op mijn vorige adres.

Zo’n stilte als hier ’s nachts normaal is, kende ik vrijwel niet in Nederland. De vier plaatsen waar dit zeldzame fenomeen mij eerder opviel, som ik zo op. De krater van de Pico del Teide op Tenerife, de Sonorawoestijn in Arizona, de Negev in Israël en de Outback in Australië. Je moet wel heel ver uit de buurt van mensen gaan, wil je zo’n intense stilte ervaren. Want stuk voor stuk zijn dit desolate oorden.

Inmiddels besef ik zo goed hoe bijzonder de stilte hier is, dat ik muziek soms bewust weg laat. Om van de stilte te genieten. Stilte is waardevol en daarom weerloos. Bijna niemand realiseert zich nog hoe aangenaam volledige stilte kan zijn. En wat een weelde stilte is. Wie weet hoeveel we hier in het westen al hebben verloren. In traditionele Iraanse muziek bijvoorbeeld, mag je de stilte gewoon horen.

Voedselsporen in onze botten

Heb je ooit exotische hapjes gegeten die alleen op een specifieke locatie te vinden zijn? Dan hebben die specifieke sporen nagelaten in je botten en je weefsel. Dat vertelt hoogleraar evolutionaire antropologie Jean-Jaques Hublin deze week in een artikel in de VPRO Gids. Het is fascinerend wat onderzoekers allemaal kunnen aflezen aan een prehistorische kies. Ons voedsel beïnvloedt dus ons lichaam. Bovendien draagt ieder mens wel een paar kilo’s aan bacteriën mee. Hoe meer je reist, hoe meer je er krijgt. Lees verder “Voedselsporen in onze botten”