Apeldoorn werpt licht op Arnhem

Inmiddels ben ik ruim twee jaar een buurvrouw van Arnhem. Mensen vragen mij soms wat ik van die stad en zijn inwoners vind. Als ultra chauvinistische ex-Leidse schiet ik dan steeds in een kramp. Het blijft lastig. Want hoe kan ik Arnhem en de bevolking nu in een paar woorden vatten? Niet alleen zijn de wijken heel verschillend. Ik mis essentiële kennis van de stadsgeschiedenis om iets over het karakter van de mensen te zeggen. Want misschien schuilt daarin de verklaring waarom Arnhem zo ‘hard’ op mij over komt, en toch ook weer niet.

Sinds vandaag kan ik eindelijk iets meer over de bevolking melden. Dankzij Apeldoorn. Want daar was ik met een Haarlemse vriendin. We zaten er uren in Café le Paris aan de koffie, omdat ik nu even niet ver wandelen kan. Toen we buiten kwamen, zei zij: ‘Er is hier zo weinig diversiteit als je naar het winkelende publiek kijkt.’ En ik begreep haar meteen. Dit gaat niet over expats of allochtonen uit verschillende regionen.

Zij doelt op een ander soort homogeniteit. Ze zag geen studentikoze types, geen uitgesproken nerds, geen alternatievelingen, geen emo’s, geen opvallend artistieke lieden, geen hipsters, geen yuppen, geen literaire-boekenwurmen, geen snelle-carrièremensen, geen zichtbaar ‘afwijkende’ gendertypes, geen kleurrijke wereldreizigers, geen macho’s, geen bedelende alcoholisten, geen loserachtige drugsdealertjes en geen aanstellerige binnenstadweirdo’s. Iedereen oogt gewoon heel gewoon. In elk geval daar bij het plein.

Arnhem ligt buiten de Randstad (al is het de vraag hoe lang nog). De bevolking is zichtbaar lager opgeleid dan de Leidse. De samenstelling ervan is ook anders en ze doen er op het eerste gezicht een beetje afstandelijk. Maar er loopt wel van alles rond. En dat vind ik fijn.

Bovendien: Arnhem heeft het allermooiste station.

 

Advertenties

Maar wat is dan ‘stoer’? (1)

Van twee kanten kwam deze week het woord ‘stoer’ voorbij, in de zin van ‘aantrekkelijk’. En nu blijft het maar hangen in mijn gedachten. Stoer, stoer. Wie of wat is nu eigenlijk stoer? Ik pak er een oude Dikke Van Dale bij: 1. Nors, stug, onvriendelijk. (Hm, bedoelen ze soms cool?) 2. Groot, zwaar, krachtig van lichaamsbouw. (Komt in de buurt, bij mannen dan.) 3. Iemand die onvermoeibaar, onverdroten voortwerkt. (Kan ook.) 4. Onbuigzaam op geestelijk gebied, onverzettelijk. (Is dat het vooral?)

Samengevat gaat het dus om een afstandelijke houding en uitstraling, voor mannen fysiek positieve eigenschappen, doorzettingsvermogen en vasthoudendheid. Als ik het zo lees, kan een vrouw niet stoer zijn, of ze moet wel een soort manwijf zijn. Er zijn mensen die dat aantrekkelijk vinden, alleen ik niet.

Toch is ‘een stoer wijf’ doorgaans complimenteus bedoeld. Er is in de afgelopen dertig jaar kennelijk iets in onze samenleving veranderd. Daardoor sluit de betekenis van ‘stoer’ in mijn oude Van Dale nu minder goed aan. Eind jaren tachtig kwam er sowieso nog geen vrouw aan te pas in dat woordenboek. Lees verder “Maar wat is dan ‘stoer’? (1)”

De levenstuinen van Het Groot Hontschoten

Halverwege de wandeling van Twello naar Teuge en weer terug staat er een tuin op het programma. Onze kaartlezer doet er geheimzinnig over. ‘Kijk gewoon zelf maar.’ Het groepje loopt naar binnen, terwijl ik nog met een boterham draal bij de ingang. Eenmaal alleen, aanschouw ik de directe omgeving. Weilanden met roodbont vee, maïsvelden en een terrein vol bosschages. Ik draai mij een kwartslag en sta plots oog in oog met het houten huisje van mijn dromen. Knus en klein en met een volwaardige veranda. In het voortuintje en binnen de universele inrichting van een wereldreiziger.

Dat belooft wat. In de tuin en de gebouwen volgt dan ook een feest der herkenning. Samoa, een verlaten landhuis in Zuid-Frankrijk. De oerwouden van Nieuw-Zeeland en Australië. Een hippiekolonie op Cabo de Cata en taferelen in Oost-Azië. Er groeit taro, er zijn fern trees en er is zoveel meer. Je hoeft niet naar de andere kant van de wereld te vliegen. Het is hier. Desiderata in steen. Uitgerekend in Gelderland. Ook zonder het ontstaansverhaal te kennen, moet je toch zien dat dit een levenswerk is. Tenminste, als je beseft hoeveel bijzonders hier te vinden is.

De levenstuinen van Het Groot Hontschoten. Ga het zien!

Terugkeer naar traumatisch Houten

In 1995 moest ik een fijne baan opgeven vanwege een bedrijfsverhuizing van Leiden naar Houten. Sindsdien is die plaats mijn grootste trauma. Het bedrijf probeerde medewerkers warm te maken voor een nieuwe start. Daarom reden we op een dag naar Houten in een colonne luxe touringcars.
Naar Het Rond, om precies te zijn, dat winkelcentrum bij het station. Zelden ben ik zo met de hakken in het zand ergens naartoe gesleurd. Ik gruwel van grootschalige nieuwbouw. En Houten is daarvan de overtreffende trap.

De trotse burgemeester daar ontving ons met open armen in het stadhuis. Hij was zelf een afvallige Leidenaar. Van Houten gaf hij hoog op: volop woongelegenheid voor gezinnen met kinderen, het winkelcentrum en culturele activiteiten vlakbij. Een goede ligging ten opzichte van Utrecht. Kortom, een groeistad met alle voorzieningen, ruimte en groen.

Nooit vergeet ik onze terugtocht naar Leiden. En dan bovenal de route van onze intocht. We reden namelijk langs het allermooiste deel van de zonovergoten singels. Die vormden een diverse en levendige strook stadshistorie met plezierbootjes en fris voorjaarsgroen. Wat een contrast met een Vinexlocatie.

Na een half jaar heen en weer pendelen heb ik mijn baan opgezegd. Daarna zette ik nooit meer voet op Houtense grond. Soms kwam ik er met de trein langs, op weg naar Den Bosch. Dan werd ik letterlijk fysiek onpasselijk van een blik op Het Rond.

Kennelijk is er iets veranderd. Vandaag wandelen we van Houten Castellum naar Culemborg. We doorkruisen een rivierenlandschap dat hoog op mijn verlanglijst stond. En wat blijkt? Houten Castellum is niet zo onverdraaglijk als het lijkt. Als beginpunt van een wandeling althans. Maar dat Het Rond? Geef mij maar een sfeervolle oude binnenstad.

Huizen aan het water in Houten Castellum.

 

 

 

 

Sfeerverhogende wolkenpartij boven Houten Castellum.

Stadsverkenning Doetinchem

In de Volkskrant van gisteren staat dat winkelketen Tuunte failliet is. Deze damesmodezaken zitten vooral in Oost-Nederland. ‘Overleven in provinciesteden is ongelooflijk moeilijk’, beklemtoont directeur Louis van Andel. ‘De aantrekkingskracht van winkelstraten in nabije grote steden is enorm. Jonge consumenten shoppen liever in Arnhem dan in Doetinchem.’ Ik weet het. Zaterdags stroomt de Achterhoekse jeugd Arnhem binnen na aankomst van het boemeltje uit Winterswijk. Op feestdagen idem dito.

Toevallig was ik diezelfde dag voor het eerst in Doetinchem. Dit nog in het kader van verkenning van mijn ‘nieuwe’ woonomgeving. Tijdens bezoeken aan zulke provinciesteden valt mij steeds op dat ze ‘anders’ zijn dan ik gewend ben. Want Leiden lijdt al sinds 1574 aan chronisch ruimtegebrek. Daardoor voelen steden met brede wegen en open terreinen steevast ‘vreemd’ aan.

Bovendien kampen kleinere steden in het oosten vaak al jaren met teruggang. Qua winkelsluiting zijn veel zaken Tuunte voorgegaan. Ook andere bedrijven verdwenen de afgelopen decennia. In Doetinchem stuit je nabij het station op oude fabrieks- en bedrijfspanden. Ik weet niet wat er ooit allemaal was, maar nu is er leegstand. Een deel kon voortbestaan en een ander deel kreeg een nieuwe bestemming.

Vlak buiten de rand van het oude stadshart (waar vroeger een stadsmuur was) staan nu kantoren en een modern stadhuis. Het historische centrum met winkelstraten is compact. In het midden staat een eeuwenoude kerk op een plein met terrasjes. Het gaat er gemoedelijk aan toe en het is er gezellig druk. Hierdoor heeft Doetinchem wel iets weg van stadjes in Brabant.

Al hebben winkels het zwaar; het aanbod is nog divers genoeg. Ik heb er wat spullen gekocht. Je moet volhouders tenslotte steunen. Verder heeft Doetinchem een echte rivier (de Oude IJssel, altijd aantrekkelijk), een molen en een langgerekt stadspark op de oever. De stad doet mee aan een groen lint van bijzondere beplanting tot in Duitsland aan toe. Er is meer te zien, maar daar kwam ik niet aan toe.

Ik kreeg namelijk honger en heb een snackbar bezocht. Geen zaak met Chinese eigenaar en hangjongeren, maar een cafetaria met een mevrouw achter de toonbank die de patat op een bordje bracht. Vermoedelijk vond ze het sneu dat ik alleen was. (De Achterhoek is nu eenmaal vrij traditioneel.) Dus legde ze ook de Telegraaf en de Gelderlander op mijn terrastafeltje neer. Lief, toch?

Op de terugweg zag ik een verwijzing naar de Wei van Ome Karel. Dat maakte nieuwsgierig. Zo belandde ik als toegift nog onverwachts in een fraaie villawijk.
Ach, laat jongeren lekker shoppen in Arnhem. Dan kan deze semi-oude taart rustig haar gang gaan in Doetinchem.

Dankzij plankgas twee minuten eerder terug

Na een wandeling reis ik vanuit Putten naar station Ede-Wageningen terug. Er rijdt een bus. Nummer 107 van Syntus vertrekt om 15.34 uur. Een uur en twee minuten later komen we op onze bestemming aan. Althans, volgens de dienstregeling. De chauffeur die ik tref, heeft daar blijkbaar geen boodschap aan. Wanneer ik instap, zegt hij hard ‘Hallo’. Ik check in en groet iets minder luid terug. De – weinige – medepassagiers begroet hij op identieke manier. Het is een detail.

We gaan op pad. Vrijwel direct geeft hij plankgas. Ik hoor de motor van de bus gieren. Dat heb je tegenwoordig bij bepaalde types. Wellicht is dat normaal, maar het klinkt zo onrustig. Wat evenmin kalmerend werkt, is hoe hij remt. Hij heeft kennelijk nooit het ‘nieuwe rijden’ aangeleerd.

Optrekken doet hij keihard; rijden ook. Pas wanneer het echt niet anders kan, trapt hij bovenop de rem. Ik klap daarbij steeds een stukje voorover. Gelukkig zit ik relatief veilig achter glas. Bij gebrek aan gordel moet je toch wat. En het moet gezegd, voor oude dametjes wacht hij rustig.

Kan je met een bus eigenlijk overal even hard rijden als met een personenauto? Ik bedoel: heeft zo’n ding geen langere remweg? De kapitein van een mammoettanker moet toch ook eerder remmen dan de kapitein van een roeiboot?

Ondertussen scheurt de chauffeur maar door. Zeer strak sturend door bochten en rond opdoemende verhogingen in middenbermen. Het gaat allemaal net. De bomen naast het asfalt flitsen langs.

Als je er niet gerust op bent, duurt een uur lang. Een groot deel van de tijd ben ik de enige passagier. Zodra er nieuwe mensen instappen, volgt het begroetingsritueel. Het zijn jongeren, verdiept in social media op hun smartphone. Uit niets blijkt dat ze merken hoe hard we gaan. Is het hun onbevangenheid of gaat dit om een verschil in perceptie? Misschien heb ik te vaak dollemansritten meegemaakt. We komen exact twee minuten voor tijd aan.

Uren later lig ik in bed en ‘voel’ ik het gejakker nog.